18 mei 2022

Nummer 1.162

“Troosten lijkt soms mijn voornaamste taak als huisarts”

“Mijn inspiratie haal ik uit de mens die voor me zit”, zegt Tom Declercq, huisarts in een Gentse groepspraktijk en tot voor kort praktijkassistent aan de Vakgroep Volksgezondheid en Eerstelijnszorg van de UGent. Hij vertelt over de kleine dagelijkse helden die hem inspireren en houdt een pleidooi voor meer mildheid en verbinding. “In wezen zijn wij mensen allemaal gelijk”, stelt hij.

Elien Loobuyck

cover Nummer 1.162
Afbeelding
© Maîtrise
“We willen vaak snel resultaat zien, maar het leven is zoals bosbouw”, merkt Tom Declercq op. “Daar rekenen we in decennia, niet in dagen.” © Maîtrise

et spectrum aan ziektebeelden dat je in het huisartsenberoep te zien krijgt, dekt een brede lading aan klachten. Sommige daarvan zijn strikt lichamelijk, andere puur psychologisch en vaak gaat het om een combinatie van beide. Onze sterkte als huisarts ligt in het biopsychosociale model dat we hanteren: we bekijken de mens als geheel en plaatsen medische klachten in hun bredere context. Ik stel wel vast dat er rond geestelijke gezondheidszorg nog steeds een taboe hangt.

Leven met machteloosheid

De coronapandemie was een nieuw en onvoorspelbaar gebeuren. Dat zorgde bij veel mensen voor een toename van angst. We leven in een maatschappij die veel angst induceert, onder meer door de manier van communiceren in de media. Eerst was er de berichtgeving over de coronacrisis, nu beheerst de oorlog in Oekraïne de nieuwsberichten. Mensen ervaren ook daarrond veel schrik, merk ik tijdens de consultaties. Leven in het hier en nu is volgens mij een goed medicijn tegen de onrust. Het helpt als je machteloosheid en tegenslag kan leren aanvaarden. ‘Alles van waarde is weerloos’, schreef de Nederlandse dichter Lucebert in zijn gedicht De zeer oude zingt. Dat is een gegeven waar we maar beter mee leren omgaan. Ik hoop dat mijn luisterend oor als huisarts mensen alvast wat rust kan geven.

Burgerlijke ongehoorzaamheid

Lijden hoort bij het leven, wat niet wegneemt dat we de pijn zoveel mogelijk moeten verzachten door zoveel mogelijk mensen, verhalen en geneesmiddelen in te zetten. Soms heb ik de indruk dat troosten mijn voornaamste taak is. ‘Guérir parfois, soulager souvent, consoler toujours’, wordt in de medische wereld vaak aangehaald. Het gaat om troost bieden aan het jonge gezin dat het zwaar heeft tijdens de quarantaine of aan de alleenstaande vrachtwagenchauffeur die het zich niet kan veroorloven om in quarantaine te zijn. Het virus heeft ongelijkheden in de verf gezet en verbondenheid moeilijk gemaakt. Zo gebeurde de palliatieve begeleiding met een mondmasker op en met inachtneming van anderhalve meter afstand. Dat staat helemaal haaks op wat mensen op zo’n moment hard nodig hebben, namelijk verbinding en fysieke aanraking. Een klein beetje burgerlijke ongehoorzaamheid lijkt me in dergelijke omstandigheden wel gepast.

We leven in een samenleving die hoge eisen stelt, ook aan huisartsen. Ik probeer aan de studenten mee te geven dat ze mild moeten zijn voor zichzelf. We moeten de best mogelijke zorg bieden, maar we moeten geen Superman zijn. ‘Goed is goed genoeg’, druk ik hen op het hart. Overdreven perfectionisme zorgt er immers voor dat mensen onderuit gaan. We moeten niet alleen mild kijken naar onszelf, maar ook – en zonder oordeel – naar anderen. Mensen hebben soms veel meegemaakt in het leven en vaak is er een reden waarom ze zijn zoals ze zijn. Laten we daarom met de patiënt verder bouwen op wat wel goed loopt en gebruikmaken van zijn of haar aanwezige talenten en mogelijkheden. In deze moeilijke omstandigheden van pandemie, onbetaalbare energieprijzen, klimaatcrisis en oorlog is het belangrijk dat we elkaar met humor en veerkracht ondersteunen.

Universele worsteling

Het geloof is voor mij, naast een – kritische – worsteling, vooral schoonheid: schitterende verhalen, prachtige rituelen, mooie mensen. Ik was de voorbije tijd langdurig ziek en ik vond ook troost in Job en in de Psalmen, teksten waarin het universele van de worsteling met God en met het lijden naar voren komt. We worden allemaal in meer of mindere mate met dezelfde problemen geconfronteerd. Zelf kon ik kracht putten uit verbinding, uit het feit dat mensen in wezen allemaal gelijk zijn, gelovig of niet-gelovig. Ik hou ook van het oecumenische van het geloof, waar de focus ligt op de gelijkenissen en niet op wat ons anders maakt. Godsdienstbeleving vind ik in mijn praktijk vooral bij moslims terug. Ik was in het bijzonder geraakt door een gelovige moslimfamilie die biddend samenkwam rond een stervend familielid. Hoewel de afspraak was dat ze me na het overlijden van de man zouden opbellen, kozen ze er uiteindelijk voor in het holst van de nacht zelf de morfinepomp te verwijderen – ze wilden hun huisarts ’s nachts niet lastigvallen – en nog enkele uren biddend rond de overledene samen te zijn.

Inspiratiebron

Ik heb niet zo’n behoefte aan grote, inspirerende voorbeelden; het meest van al vind ik inspiratie in de mens die voor me zit, in hoe hij of zij omgaat met moeilijkheden en probeert zich recht te houden. Zo was er een vrouw die letterlijk haar stem kwijt was na het traumatische overlijden van haar kleinkind. Ze had enkele jaren nodig om van dat vreselijke verlies te herstellen. Een oma die aan de andere kant van België woont en die ook een kleinkind had verloren, kwam haar opzoeken. Dat contact hielp haar mee erbovenop. We willen vaak snel resultaat zien, maar het leven is zoals bosbouw. Daar rekenen we in decennia, niet in dagen. We horen soms dat er veel onverschilligheid is, maar ik zie in mijn praktijk iets anders: een krasse 90’er die jarenlang witloof heeft gekweekt en nu al jaren liefdevol voor zijn dementerende partner zorgt. Of een dochter die geduldig de talrijke telefoontjes van haar moeder verdraagt en er zo voor zorgt dat die hoogbejaarde vrouw thuis kan blijven wonen. Dat zijn de verhalen van kleine dagelijkse helden die de krant niet halen.”  III

Lees meteen verder

Ga naar archief