Tertio 978 - “Het verlangen naar het goede is onverwoestbaar”

“Het verlangen naar het goede is onverwoestbaar”

Toen Didier Pollefeyt (KU Leuven) in 1984 aan medestudenten vertelde dat hij over de Holocaust zou spreken, kreeg hij meer dan eens te horen dat ze nog nooit over die auteur hadden gehoord. Bijna 35 jaar later zet hij in een dikke turf zijn integrale ethiek en theologie na Auschwitz systematisch uiteen voor een internationaal lezerspubliek. Inzet: het gesprek met de Holocaust ten volle aangaan en daarin je geloof niet verliezen maar herontdekken.

Het ruim 300 bladzijden tellende en nog steeds relevante De God van de Joden na Auschwitz van Richard Rubenstein bezorgde de 18-jarige Didier Pollefeyt zozeer een schok dat het thema hem nooit meer losliet. Plots werd hem duidelijk hoe de Holocaust de volledige theologie in twijfel trekt. Om tot een consistent gelovig antwoord te komen, vertrok hij vanuit de vraag hoe de Holocaust mogelijk is geweest. Hoe kon de joodse filosoof Emmanuel Levinas (1906-1995) na Auschwitz toch nog verklaren dat het gelaat van de ander werkelijk een ethisch appel op ons doet? Ook vandaag is die vraag brandend actueel.

Is de meest logische verklaring niet dat de nazi’s gewoonweg geen ethiek hadden?

“De veronderstelling dat ze morele monsters waren die er plezier in vonden kwaad te doen, ligt voor de hand. Het inzicht dat dat een groot misverstand is, heeft me in mijn onderzoek het meest verrast. Ook de nazi’s redeneerden in termen van ‘het goede doen’. De Holocaust was geen revolte tegen de ethiek, maar het resultaat van een langzame, collectieve herdefinitie van goed en kwaad, die de Holocaust – althans in hun ogen – een zekere plausibiliteit bezorgde. De genocide op de joden was voor hen zoiets als onvermijdelijke collateral damage in het realiseren van de droom van het duizendjarige rijk. Om die reden kan je niet gewoon moraliserend zeggen: ‘Nooit meer Auschwitz’. Het is veel complexer dan dat. De Holocaust gaat over ons. De les is vooral dat ethiek kwetsbaar is omdat onze definities van goed en kwaad sterk cultureel bepaald en manipuleerbaar zijn. Eens je dat ziet, kan je van binnenuit begrijpen hoe de daders tot hun misdaden gekomen zijn en dat is veel verontrustender.”

Is de kwetsbaarheid van de ethiek dan sowieso van alle tijden?

“Ja. Ik vind dat we vandaag bijvoorbeeld moeten proberen te begrijpen hoe jonge mensen zich via Schild & Vrienden opnieuw aangetrokken voelen tot een dergelijke ideologie. De titel van mijn doctoraat was: Voorbij afschuw en verschoning. Je moet de daders niet wegduwen als monsters en evenmin moet je hen goedpraten. De werkelijke vraag is hoe het komt dat de nazi’s in staat waren tot het kwaad dat ze begingen. Mijn onderzoek leidde tot de conclusie dat de ethiek zelf meegesleurd is geweest. Zelfs daders van extreem kwaad verlangen ernaar zichzelf goed te praten en ontwikkelen een discours dat hun toelaat zichzelf als een goed mens te blijven beschouwen. Zulk een zelfrechtvaardiging levert de ethische argumenten om zelfs de wreedste dingen aanvaardbaar te maken. Onlangs las ik in De Morgen een quote van iemand die pleit voor verplichte euthanasie voor iedereen op 67 jaar. Wel, ook zoiets kan je perfect rechtvaardigen, als je maar de gepaste argumenten aandraagt en die juist weet te verpakken.”


Zegt u nu dat de ethiek een vogel voor de kat is?

“Het is uitermate paradoxaal dat de ethiek, als je niet oplet, gemakkelijk een systeem wordt dat het kwaad mogelijk maakt. Maar de nood aan zelfrechtvaardiging toont tevens dat het verlangen naar het goede onverwoestbaar is. In die zin ben ik door de studie van de Holocaust toch mijn geloof in het goede van de mens niet verloren. Wel heb ik de kwetsbaarheid, manipuleerbaarheid en zelfs gewelddadigheid van dat verlangen leren zien. Theologisch hangt de kwestie samen met de uitspraak van de apostel Paulus dat de wet de zonde veroorzaakt. Als student begreep ik die woorden niet zo goed, maar intussen beschouw ik die stelling als het kernprobleem: ethische systemen kunnen ons ertoe verleiden te denken dat we gerechtvaardigd zijn – als individu, maar ook als instituut, bedrijf, universiteit, kerk. De ijver voor de wet kan heel wat slachtoffers en schijnheiligheid veroorzaken. Zoals in bedrijven die allerhande codes en reglementen hebben: als de procedures en regels maar kloppen en gevolgd worden, is alles in orde. Zo begrijp ik ook het ontstaan van de Holocaust als het resultaat van een systeem dat de eigen identiteit beschermt. Als ethiek in de handen komt van mensen die particuliere belangen voor ogen hebben, wordt ze ideologie. In de joodse en christelijke traditie is ethiek daarentegen net geraakt worden door de ander die het slachtoffer is van systemen, die mij bevraagt, die faalt, die zich in de marge bevindt, zoals onze paus telkens laat zien. Het christendom vertrekt vanuit het geloof dat je onvoorwaardelijk bemind bent en vanuit die ervaring mag leven. Het is de kern van het christelijke mensbeeld dat je jezelf niet hoeft te rechtvaardigen tegenover God maar mag leven vanuit een toegezegde liefde. Dat is wat ook katholieke scholen en universiteiten zouden moeten uitstralen; zij moeten geen mooie ethische façade ophangen maar vertrekken van de idee dat elke persoon een toekomst verdient.”

Hoe komt het dat de joods-christelijke ethiek, net in het nazitijdperk dat zoveel slachtoffers maakte, niet bestand bleek tegen manipulatie?

“Onder meer door de industrialisering van de uitroeiing. Het is gemakkelijker tweeduizend mensen te doden dan twee. Heinrich Himmler (1900-1945, hoofd van de SS en architect van de Holocaust, nvdr) beklaagde er zich over dat de Duitsers de joden wel weg wilden, maar er allemaal toch één wilden redden: hun joodse buurman. Zolang er geen gaskamers waren, hadden daders zelfbedrog – en veel alcohol – nodig om die ethische grondervaring weg te duwen. Maar zodra je systemen creëert waarin ‘het gelaat van de ander’ niet meer kan doorbreken, kan het kwaad zijn gang gaan. Het is tragisch dat alleen een machtsingreep van de geallieerden dat kon stoppen. Ethiek is ook afhankelijk van macht. Daarom is het zo verontrustend dat veel jongeren vandaag het democratische systeem in twijfel trekken.”

“Desalniettemin toont de geschiedenis dat geen enkel autoritair systeem de ethische grondervaring totaal kan verhinderen. Theologisch vertaald gaat het over het binnenbreken van Gods transcendentie in de wereld. Welnu, je kan God niet het zwijgen opleggen. Het transcendente raakt mensen en transformeert hen. Dat zie je bij de daders – met Oskar Schindler als klassiek voorbeeld – en vooral bij de slachtoffers. Om in die context te kunnen overleven, waren zij zowat verplicht beesten te worden en toch waren er slachtoffers die zich het lot van anderen aantrokken. Dat is het spectaculaire van de kampen: niet de gruwel, niet wat slachtoffers elkaar hebben aangedaan, wel dat velen zich niet hebben laten herleiden tot beesten, wat soms alleen nog mogelijk was in symbolische daden: de moeder die haar kind nog troost als ze naakt de gaskamer binnenstappen en toont dat haar liefde onverwoestbaar is. Ongewild hebben de kampen zo op grote schaal heiligen gecreëerd. Het is de bekende crack in everything waarlangs het licht toch nog binnenkomt. Het is trouwens geen toeval dat de nazi’s in de eerste plaats de joden wilden vernietigen, aangezien zij per definitie refereren aan de ervaring van een transcendente God die ons van elders appelleert, geen Gott mit uns, maar een God die de mens bevraagt en tegendraads is – een ervaring van raakbaarheid van mensen die in het christendom vlees en bloed is geworden in een gekruisigde Redder. Vandaar meen ik dat de nazi’s op termijn ook het christendom zouden hebben aangepakt.”

Blijft de lastige vraag: waar is God in het kwaad van Auschwitz?

“Op de cover van mijn boek staat een afbeelding van een Christus die zich radicaal met de slachtoffers identificeert (zie inzet boven, nvdr). Als je naar Auschwitz kijkt en Christus wil vinden, moet je naar de joodse slachtoffers kijken. En God? Daar gewaag ik van een Godsverduistering – wat de joodse geleerde Martin Buber (1878-1965, nvdr) de eclips van God noemt: alsof een groot donker laken over Europa kwam te liggen, waardoor het transcendente veel moeilijker kon doorbreken. Bij wijze van spreken bleef God wel uitzenden, maar het luchtruim was verstoord of de ontvangers waren beschadigd. In dat alles is God voor mij de bron van absolute goedheid en onvoorwaardelijke liefde. Het goede is primordiaal. De liefde gaat vooraf aan de wet zoals de moeder in de ontwikkeling voorafgaat aan de vader. Het kwade kan het goede wel misbruiken en erop parasiteren, maar dat is pas in tweede instantie, bijvoorbeeld door een opvoeding die de gevoeligheid voor het goede verduistert. Het kwade is altijd secundair aan het goede. De Holocaust is daarom vooreerst een ethisch probleem.”

Nog een heikele kwestie in het licht van de Holocaust: vergeving en verzoening. Hoe kijkt u daarnaar?

“Je kan nooit uitsluiten dat iemand die kwaad heeft gedaan, terug aanknoopt bij die gronddynamiek van het goede. Vergeving onmogelijk maken, betekent trouwens een postume overwinning voor het nazisme want dat systeem kende geen vergeving. Vergeven is erkennen dat de ander niet samenvalt met zijn daden, maar dat gebeurt niet onvoorwaardelijk. Berouw, bekering en de bereidheid om de zelfrechtvaardiging in twijfel te trekken, zijn noodzakelijk. In die zin heeft de Gentse rector Rik Van de Walle te snel en te hard gereageerd in het geval van Schild & Vrienden-oprichter Dries Van Langenhove, terwijl de Leuvense rector Luc Sels te snel over een tweede kans heeft gesproken – aan de ene kant diabolisering, aan de andere kant te goedkope genade. Vergeving is noch een recht van de dader, noch een plicht van het slachtoffer. Zelfs de grootste bekering van de dader brengt die plicht niet voort. Hoe heilvol het ook kan zijn vergeving te schenken, mensen zijn er soms gewoon niet toe in staat. Bovendien hoeven vergeving en verzoening – zijnde het opnieuw aanknopen van de relatie – niet samen te gaan. Die eis kan vergeving zelfs onmogelijk maken.”

“In de context van de Holocaust speelt ook sterk de kwestie van zelfvergeving door slachtoffers. Velen geven zichzelf de schuld voor wat gebeurd is – ‘Had ik maar…’ – en kunnen maar moeilijk aanvaarden dat ze het waard zijn bemind te worden. Als je het brood van je vader hebt gestolen om zelf te overleven, tekent dat je hele verdere leven. Maar in een onmenselijk systeem kan je bijna geen keuzes meer maken die niet ten koste van anderen gaan en daarom moet je zeer voorzichtig zijn met morele uitspraken over slachtoffers. Dat neemt niet weg dat het, zoals gezegd, werkelijk spectaculair is als mensen toch in staat waren hun waardigheid te bewaren, voor elkaar te zorgen, goed te doen, liturgie te vieren, kunst te creëren. Dat de Godsverduistering niet helemaal heeft gewerkt in de kampen, is de grote hoop voor de toekomst.”

Didier Pollefeyt, Ethics and Theology after the Holocaust,
Peeters, Leuven / Parijs / Bristol CT, 426 blz.
Bestellen kan via www.kerknet.be - Klik op shop.

 

Meer lezen (pdf, enkel voor abonnees)

Tertio in je mailbox

Geef hieronder je e‑mailadres in en blijf als eerste op de hoogte van Tertio inhoud.

Ja, ik geef mijn toestemming om mijn naam- en adresgegevens, telefoon en email, op te nemen in het bestand van het christelijke opinieweekblad Tertio, Louis Frarynlaan 75, 2050 Antwerpen. Ik heb het recht op toegang tot, verbetering of schrapping van die gegevens. Mijn gegevens worden niet aan derden doorgegeven. ​