Tertio 942 - Financiering woonzorgcentra voor dummies

Dossier: Commerciële rusthuizen

Financiering woonzorgcentra voor dummies

Berichten in de media over de residentiële ouderenzorg zijn zelden opwekkend: tekort aan personeel, eenzame bewoners, onbetaalbare dagprijzen. De vergrijzing maakt de sector tegelijk aantrekkelijk voor investeerders. Maar gaan zorg en commercialisering überhaupt samen? Wat is de ondergrens voor de kwaliteit van zorg? En wat is de bovengrens voor winstmaximalisatie? Een veelbesproken Pano-reportage waarin een reporter als vrijwilliger undercover ging, toonde schrijnende toestanden in commerciële woonzorgcentra die bewoners zonder verpinken gepeperde facturen sturen voor ondermaatse zorg. Is dat beeld representatief voor alle winstgedreven actoren in deze markt? Gaan zij fundamenteel anders te werk dan hun collega’s in de openbare en non-profit woonzorgcentra? Tertio ging op zoek naar de feiten en vond de nuances achter het cliché.

Frederique Vanneuville / De overheid hanteert min of meer identieke regels en normen voor de subsidiëring van openbare, non-profit en for-profit woonzorgcentra. Enig inzicht in die complexe regelgeving is noodzakelijk om de winst mechanismen in de commerciële residentiële ouderenzorg te doorgronden. Een spoedcursus elementaire beginselen.

Management betekent in de sector van de residentiële ouderenzorg een kundig in balans houden van een samenspel van factoren die rechtstreeks en minutieus op elkaar en op de toekomstige financiering van de voorziening ingrijpen. In die constellatie moet de directie van een woonzorgcentrum (wzc) huisvesting en zorg organiseren en als een goede huisvader enerzijds waken over de nodige inkomsten en anderzijds de uitgaven binnen redelijke perken houden.

Zorg

De belangrijkste inkomstenstroom is het zogenoemde instellingsforfait dat de overheid jaarlijks aan de voorziening toekent, of het nu gaat om een openbaar (OCMW), non-profit (vzw) of for-profit (commercieel) wzc. Dat forfait is bestemd voor de zorgverstrekking, lees hier vooral: de lonen van het zorgpersoneel dat instaat voor de zorg aan bed. Voor de berekening van dat forfait maakt de overheid een inschatting van de reële zorgkosten op basis van rapportering van gegevens over de loonkosten van het zorgpersoneel en de zorgafhankelijkheid van de bewoners gedurende een voorafgaande referentieperiode van 12 maanden. Zo zijn de middelen voor 2018 berekend op basis van gegevens over de periode van 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017.


Fotobijschrift: Bewoners betalen gemiddeld 27,34 euro per dag aan niet-gesubsidieerde loonkost.  © Korian

Cruciaal punt in dat alles: je kan als voorziening niet zomaar kiezen hoeveel en welk zorgpersoneel je aanwerft. De overheid werkt met uniforme personeelsnormen voor verpleegkundigen, zorgkundigen, kine-ergo-logo en personeel voor reactivering. Ze vertrekt daarvoor van de KATZ-schaal, een systeem dat de zorgafhankelijkheid van de bewoners objectiveert. Zeer kort samengevat komt het erop neer dat wzc’s er belang bij hebben vooral bewoners te huisvesten met een hoge zorgafhankelijkheid, tenminste als zij kunnen worden opgenomen in een als RVT (Rust- en Verzorgingstehuis) erkende woongelegenheid. De RVT-personeelsnorm ligt namelijk veel hoger dan voor een ROB-woongelegenheid (Rustoord voor Bejaarden), zelfs al gaat het om bewoners met een zelfde hoge zorgafhankelijkheid. Voor de volledigheid: de Vlaamse overheid voorziet in middelen voor het aanwerven van animatoren die instaan voor een zinvolle dagbesteding van de bewoners. Helaas volstaan die subsidies vaak niet om de volledige loonkost van de animatoren te financieren en zullen de bewoners hierin deels bijdragen via de dagprijs, de prijs per dag die de bewoners moeten betalen voor hun verblijf in het wzc. Tot 1 juli 2016 kwamen de commerciële wzc’s trouwens geheel niet in aanmerking voor die subsidies.

Anciënniteitsplafond

Zit een voorziening met haar personeelsbezetting onder de norm, dan wordt ze door de overheid gepenaliseerd; zit ze erboven, dan betaalt ze zelf deels de extra loonkost voor die bovennorm. Bovendien werkt de overheid met een anciënniteitsplafond. Hebben de medewerkers die binnen de norm vallen een hogere baremieke anciënniteit dan de maximale  “vork”, dan past de voorziening ook dat deel van het loon bij met de opbrengsten uit de dagprijs. Door vooral op jonge medewerkers in te zetten, kan dat probleem in principe omzeild worden, maar in de praktijk is het niet zo eenvoudig pas afgestudeerden te vinden omdat zij vaker kiezen voor tewerkstelling in bijvoorbeeld een ziekenhuis.

Normen sturen winst

Door de discrepantie tussen de opgelegde personeelsnormen en de financieringsnormen kampt de sector met een historisch probleem van structurele onderfinanciering. In hun toonaangevende studie Financiering van de residentiële ouderenzorg: het perspectief van de voorzieningen (SWVG-rapport 31 van 2015) merken Jozef Pacolet en Annelies Deconinck (HIVA) op dat die discrepantie de winstgevendheid van de woonzorgcentra  “kan en zal sturen”. Hun raming wijst uit dat de onderfinanciering vooral de categorie van de minder zwaar zorgbehoevenden betreft, maar ook de zwaar zorgbehoevenden in een ROB-statuut.

Pacolet en Deconinck tonen tegelijk aan dat vooral de OCMW-sector met gemiddeld 40,4 procent sterk inzet op bovennormpersoneel. In de non-profitsector is dat gemiddeld 17,3 procent. De for-profit houdt het op gemiddeld 15,8 procent bovennorm –  “minder dan ze in principe zouden moeten inzetten volgens de hoogste (wenselijke) personeelsnormen”, aldus de auteurs, die ervan uitgaan dat  “de meest ondergefinancierde voorzieningen het meest bovennormpersoneel moeten inzetten om hetzelfde niveau [van kwaliteit van zorg] te halen”. Het rapport bevat ook een sectorbrede analyse van de resultatenrekening naar beheersstatuut voor het boekjaar 2012. Die leert dat de gemiddelde personeelskost per dag per bewoner met 94,70 euro het hoogst is in de private non-profit, direct gevolgd door de openbare sector met 91,30 euro. Bij de commerciële aanbieders gaat het over 73,70 euro. Desondanks is de non-profit niet verlieslatend en haalt ze een beter resultaat dan de for-profit (in boekjaar 2012 respectievelijk 4,60 en 0,90 euro winst per erkende woongelegenheid per dag). De openbare instellingen daarentegen zijn met -12,90 euro per erkende woongelegenheid per dag zwaar deficitair, een verlies dat traditioneel gedragen wordt door de lokale overheden, lees: de belastingbetaler.

Volgens de studie is een mogelijke verklaring voor de opvallend lagere personeelskost in de for-profit dat niet-zorggerelateerde activiteiten zoals onderhoud, technische ondersteuning of maaltijdbereiding uitbesteed worden – vormen van externe dienstverlening die in de boekhouding niet onder personeelskosten worden geboekt. Bij gebrek aan een uniform, transparant en gedetailleerd boekhoudsysteem voor alle woonzorgcentra – waar Zorgnet-Icuro, de koepel van de non-profit wzc’s, al lang voor pleit – is evenwel niet eenvoudig te achterhalen of en in welke mate zulke externe dienstverlening voorkomt.

Maatschappelijke kost

Voorzieningen die zich in hun personeelsbeleid richten naar de opgelegde norm, zijn wettelijk in orde. Als er op de werkvloer evenwel sprake is van een reële onderbezetting, rijst de vraag naar werkbaar werk. Zeker als normpersoneel ter besparing niet aan het bed wordt ingezet, maar bijvoorbeeld taken verricht in keuken, onderhoud of administratie, stijgt onvermijdelijk de werkdruk. Voor dergelijke besparing door de voorziening betaalt de samenleving onrechtstreeks de prijs. De cijfers uit een studie van 2017 van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) zijn veelzeggend. Uit het Rapport Werkbaar werk in de gezondheids- en welzijnszorg. Sectorale analyse op de Vlaamse werkbaarheidsmonitor 2004-2016 blijkt de voor 2016 opgetekende werkbaarheidsgraad van 48,5 procent voor de rusthuizen significant lager te zijn dan in de ruimere gezondheids- en welzijnszorg. De sector scoort in hetzelfde jaar significant hoger voor werkstressklachten en hoge werkdruk, zowel ten opzichte van 2013 als ten opzichte van de rest van de gezondheids- en welzijnssector. Zo is er bij 14,9 procent van de werknemers sprake van burnoutsymptomen (tegenover 11 procent voor de hele gezondheids- en welzijnszorg). In het maatschappelijk debat over kwaliteitsvolle en betaalbare ouderenzorg, moet ook die verborgen maatschappelijke kost aan de oppervlakte gebracht worden.

Woonkost

Hoe zit het met de financiering van het wonen? Vroeger kwam het VIPA (Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden) voor de OCMW’s en vzw’s tussen voor ongeveer 60 procent van de bouwkost, gelimiteerd door een bouwplafond. Vanaf 1 januari 2018 werkt de Vlaamse overheid met een nieuw systeem van infrastructuursubsidies waar nu ook de commerciële woonzorgcentra een beroep op kunnen doen. Voor iedere nieuwbouw woongelegenheid die aan de voorwaarden voldoet, wordt per bewoner per dag 5 euro infrastructuursubsidie gegeven. Die 5 euro moet als korting worden doorgerekend op de bewonersfactuur.  “Zo probeert minister Jo Vandeurzen de prijsstijging door nieuwbouw te drukken voor de bewoners”, klinkt het bij Clara Van den Broeck, stafmedewerker Financieel-economische thema’s Ouderenzorg bij Zorgnet-Icuro.

De dagprijs omvat onder andere alle resterende kosten voor infrastructuur en huisvesting – denk aan woonruimte, verwarming, technisch en dagelijks onderhoud, intrestkosten, water, elektriciteit, bedlinnen, maaltijden, verzekeringen,… Zaken als kapper, abonnementskosten voor telefoon en televisie, sondevoeding, dokterskosten, kamerbediening, medicatie en wassen van persoonlijke kledij kunnen bovenop de dagprijs worden aangerekend als supplement. “Ook de middelen voor de ondersteunende diensten – directie, personeelsadministratie, logistiek,… – worden voornamelijk uit de dagprijs betaald. Uit de MARA-studie van Belfius, Corilus en Zorgnet-Icuro blijkt dat de bewoners zo gemiddeld 27,34 euro aan niet-gesubsidieerde loonkost betalen”, weet Van den Broeck.

Dagprijsverhogingen

Het bedrag van dagprijs en supplementen komt eenvoudig tot stand. Een voorziening die onder een nieuw erkenningsnummer met nieuwe woongelegenheden begint, kan vrij de hoogte van haar dagprijs en supplementen instellen, tenzij ze het infrastructuurforfait van 5 euro wenst te ontvangen. In dat geval moet ze een berekend dagprijsdossier indienen ter goedkeuring door de overheid. Verder bestaat er regelgeving rond de kostprijselementen die in de dagprijs moeten zitten en niet als supplement kunnen worden aangerekend. Voorzieningen kunnen ook jaarlijks indexeren. Een verhoging van dagprijs en supplementen voor woonzorgcentra die reeds in uitbating zijn, kan alleen na goedkeuring door de overheid.

Alarmerende berichten over stijgende dagprijzen en de toenemende onbetaalbaarheid van de rusthuisfactuur duiken regelmatig op in de media. Van den Broeck reageert:  “Wzc’s dienen een positief resultaat te halen, willen zij hun visie en hun doelstelling op lange termijn kunnen blijven waarmaken in de samenleving. Maar waar gaat hun winst naartoe? Zorgnet-Icuro stelt dat het positief resultaat moet worden geïnvesteerd in hun maatschappelijke doelstelling. Anders gezegd: de winst kan niet in de vorm van dividenden uitgekeerd worden aan aandeelhouders, maar dient om de continuïteit op lange termijn te borgen. Er kunnen reserves mee worden opgebouwd voor onder andere renovatiewerken, het aanleggen van een sociaal passief en de aanwerving van bijkomend personeel”.

Vastgoedvennootschap

“Indien een wzc verlieslatend is – en er is geen lokaal bestuur om het verlies bij te passen, zoals vaak het geval is in de OCMW-sector –, komt het in de problemen. Onvoldoende reserves hebben nefaste gevolgen voor de woon- en leefkwaliteit in het gebouw, want er zijn geen middelen voor drastische renovatiewerken. En welke bank geeft een krediet aan een verlieslatende onderneming? Een mogelijkheid is dan het versleten gebouw te verkopen aan een vastgoedvennootschap die grondige investeringen doet en vervolgens huur aanrekent. Op langere termijn is dat evenwel duurder”, legt de stafmedewerker uit.

Dat is nochtans het principe volgens hetwelk sommige commerciële vzw’s werken. “Vzw’s hebben principieel  ‘geen winstoogmerk’  maar in de sector van de residentiële ouderenzorg is dat principe vervaagd. Heel wat commerciële voorzieningen hebben een vzw voor de uitbating van het wzc, terwijl het gebouw ondergebracht is in een vastgoedvennootschap die eventueel zelfs beursgenoteerd is. De vastgoedvennootschap rekent huur door aan de vzw-exploitant die geen winst maakt, maar via de huur wel betaalt voor de winstmarges van de achterliggende structuur”, licht Van den Broeck toe. Winst die, zoals vermeld, gehaald wordt uit de dagprijs waar onder andere ook de middelen vandaan komen die de structurele onderfinanciering van het zorgpersoneel moeten verhelpen.

Meer lezen (pdf, enkel voor abonnees)

Tertio in je mailbox

Geef hieronder je e‑mailadres in en blijf als eerste op de hoogte van Tertio inhoud.

Ja, ik geef mijn toestemming om mijn naam- en adresgegevens, telefoon en email, op te nemen in het bestand van het christelijke opinieweekblad Tertio, Louis Frarynlaan 75, 2050 Antwerpen. Ik heb het recht op toegang tot, verbetering of schrapping van die gegevens. Mijn gegevens worden niet aan derden doorgegeven. ​