Tertio 864 - “Leerkracht stimuleren tot buiten lijntjes kleuren”

Dossier: Leerzorg op maat

“Leerkracht stimuleren tot buiten lijntjes kleuren”

Het M-decreet werd vorig jaar ingevoerd. Het wil meer jongeren met een beperking naar het gewoon onderwijs loodsen. Aan de vooravond van het nieuwe schooljaar schetsen betrokkenen uit lager, secundair en hoger onderwijs een beeld van wat  “leerzorg op maat”  betekent. Alles hangt af van bevlogen mensen, voldoende middelen en de juiste ondersteuning.

“Geef de mensen in het werkveld de tijd, de ruimte en de middelen om met inclusief onderwijs aan de slag te gaan.” Dat vindt Geert Van Hove, docent aan de vakgroep Orthopedagogiek van de UGent. “Het is voor alles een genuanceerd verhaal. ‘Voor’ of ‘tegen’: ik word daar moe van.”

Geert Van Hove is in Gent hoofd van het Universitair Centrum voor Begeleiding en Opleiding (UCBO) en het Universitair Centrum voor Raadpleging en Oriëntering (UCRO), die in gespecialiseerd onderzoek, opleiding en begeleiding voorzien voor mensen met een arbeidshandicap.

Een jaar geleden werd het zogenaamde M-decreet ingevoerd. Een goede zet?
“Als je afgaat op wat in de media verschijnt, valt er blijkbaar veel over te zeggen. Eerst en vooral: het M-decreet kwam niet uit de lucht vallen. Vóór Hilde Crevits waren er nog ministers van Onderwijs die leerzorg centraal wilden stellen. Frank Vandenbroucke was er het dichtst bij. Net voor de eindmeet strandde zijn decreet. Maar de zoektocht naar inclusief onderwijs begon bij Luc Van den Bossche. Die introduceerde in de jaren 1980 de eerste GON-projecten”  (projecten voor geïntegreerd onderwijs, nvdr).

“Met het M-decreet poogt de onderwijsadministratie die geschiedenis bij elkaar te brengen. Theo Mardulier van het departement Onderwijs verdient een standbeeld voor koppigheid. Hij is een pedagoog met een hart voor onderwijs en trachtte inclusief onderwijs te brengen bij budgetten, bij organisatie en bij de geschiedenis. Het M-decreet is niet historisch blind voor alle pogingen en plannen rond inclusief onderwijs sinds 1970.”

Kunnen we na een jaar inschatten hoe het M-decreet in de praktijk loopt?
“We moeten het tijd geven. Dat wil niet zeggen dat we achteruit moeten leunen met de armen gekruist. Het is bijvoorbeeld een goede maatregel dat de minister direct leerkrachten overplaatst van het buitengewoon naar het gewoon onderwijs. Een van mijn studenten maakt een thesis rond de persberichten over het M-decreet. Er wordt in de pers nogal wat gespind. Als je ziet wat de school in Hulste (zie volgende blz., nvdr) doet, wie kan daar dan tegen zijn? Geef hen de tijd, de middelen en de nodige ondersteuning. De internationale gemeenschap heeft beslist dat onderwijs een mensenrecht en een recht van het kind is. In Vlaanderen hebben we beslist dat we goed onderwijs willen aanbieden. Laten we dan ophouden de onderwijsstromen tegen elkaar op te zetten, zoals nu te vaak gebeurt. Geef opleiding en steun bij co-teachingprojecten en laten we ieder succesverhaal vieren.”

“Het M-decreet is de technische veruitwendiging van hoe we met inclusief onderwijs omgaan. Het is noodzakelijk middelen vrij te maken. We moeten samen nadenken hoe we co-teaching, peer-teaching en andere nieuwe werkvormen kunnen gebruiken. Ik geef een keuzevak  ‘diversiteit en coaching’. Alle studenten aan de UGent kunnen dat volgen. We leren er omgaan met diversiteit, ook met wie uit een ander wetenschappelijk veld komen. Op alle niveaus zijn er mensen met beperkingen. Ook leerkrachten, directeurs en zelfs ministers kunnen zich anders en wat  ‘raar’  gedragen. Van die beperkingen kunnen we leren. Ik heb leren werken met een iPad door iemand met een verstandelijke beperking.”

Wat zegt het onderzoek over inclusief onderwijs?
“Je hoort altijd dezelfde mantra’s: inclusief onderwijs doet het niveau dalen, leerlingen met een beperking voelen zich beter onder lotgenoten. Onderzoek toont iets anders. Kijk, elk jaar heb ik een paar honderd studenten. Sommigen van hen winnen medailles, maar dat zorgt niet voor lichamelijke klachten bij de anderen. Als we het hebben over lotgenoten, dan gaat het over meer dan het louter cognitieve. Een school moet ervoor zorgen dat er echte sociale contacten zijn. De zogenaamde contacthypothese –  ‘zet ze samen en het lukt wel’  – werkt niet. Alleen met gemeenschappelijke activiteiten kan je vriendschappen en een sociaal netwerkje opbouwen. Onderzoek over vriendschap wijst uit dat mensen met een beperking weinig schoolvrienden hebben. Dat kan zijn omdat ze thuis worden overbeschermd of omdat ze ver van huis naar school moeten. Sommigen vinden alleen aansluiting bij een groep op het internet.”  

En het cognitieve, wat we op school moeten leren? Hoe kunnen we daarmee omgaan?
“Ook daarover gebeurt veel onderzoek. Kinderen leren het meest op een plek waar ze een individueel traject kunnen uitbouwen. Maar het moet natuurlijk ook aangepast worden aangeboden. Het is een grote uitdaging te kijken naar wat leerlingen wel kunnen leren. Dat vergt een grote flexibiliteit van de leerkracht. Hildegarde Verwulgen schreef vorig jaar een boek over haar ervaringen in het buitengewoon onderwijs. Van de groep die haar werd toevertrouwd, zei men:  ‘Ze kunnen niets leren’. Toch probeert zij te zoeken. Ze koopt tweedehands boekachtige schriftjes die ze uitstalt in de klas. De kinderen zijn geïntrigeerd door de lege boekjes. Verwulgen zegt de kinderen dat ze een boekje mogen hebben, maar dan moeten ze het zelf schrijven. Een leerling die de dag ervoor op televisie zag hoe de politie met DNA een misdaad oplost, vraagt wat DNA is. En zo maken ze een boekje over DNA.”  

“Vorig jaar had ik een Baskische studente die geen Nederlands sprak, maar wel in het buitengewoon onderwijs stage deed bij kinderen met een label  ‘gedragsgestoord’. Ze werd spontaan hun lerares Engels en, aangezien ze zwarte gordel karate had, deed ze karatesessies met de kinderen. Op een bijna bizarre manier leerden die kinderen Engels en werd aan hun gedrag gewerkt.”

Kan dat soort incidenteel leren wel door dezelfde deur met die andere mantra uit het onderwijs: de eindtermen?
“Laat me duidelijk zijn: ik ben een grote aanhanger van de eindtermen. Het is goed dat de gemeenschap nadenkt over wat iemand moet kennen en kunnen aan het einde van zijn schoolloopbaan. Doelstellingen en eindtermen geven een kader. Tegelijk moet je leerkrachten de tijd en de ruimte geven om, in overleg met CLB’s (Centra voor Leerlingenbegeleiding, nvdr), ouders en collega’s, individuele trajecten en aangepast materiaal uit te werken. We moeten creatief omgaan met dat soort mantra’s.”

Zijn de contouren van het onderwijs niet te strak om te experimenteren?
“Alles gaat terug op het recht van kinderen op onderwijs. Laten we luisteren naar ouders en in dialoog gaan. Als kinderen met een beperking naar de school om de hoek willen gaan, moet dat kunnen. Maar dat vergt inderdaad overleg met ouders, leerkrachten en kinderen. Lineaire verbanden in het onderwijs, daar geloof ik niet in. Ik geef graag het voorbeeld van pedagoog Michael Giangreco. Deze Amerikaanse zoon van Italiaanse immigranten beschrijft het schoolsysteem in de kleine Amerikaanse staat Vermont. Daar zijn geen specifieke scholen voor kinderen met een beperking. Alle kinderen zitten bij elkaar. Hij maakte in 1998 al de analyse dat er een volgorde zit in de opbouw van een school: eerst in gesprek gaan met ouders, dan (samen) het kind leren kennen, in gesprek gaan over valued life outcomes, en pas dan een curriculum opmaken. Maar de basis blijft: een kind wordt geboren in een bepaalde familie, met soms grote sociale problemen en gebroken dromen. Dat is de fond waarmee je naar de maan vliegt.”

“Een goede leerkracht komt los van de eindtermen. Een Universal Design for Learning geeft de leerkracht ruimte om te doen wat hij doet. Daarin moet hij/zij worden gesteund als hij/zij eens buiten de lijntjes kleurt. De onderwijsadministratie en de huidige minister beseffen dat we die creativiteit moeten toelaten. Stilaan krijgen de eindtermen de plaats die ze verdienen. Zorg, respect en dialoog zijn cruciaal. Die visie wordt netoverschrijdend gedeeld.”

Meer lezen (pdf, enkel voor abonnees)

Tertio in je mailbox

Geef hieronder je e‑mailadres in en blijf als eerste op de hoogte van Tertio inhoud.

Ja, ik geef mijn toestemming om mijn naam- en adresgegevens, telefoon en email, op te nemen in het bestand van het christelijke opinieweekblad Tertio, Louis Frarynlaan 75, 2050 Antwerpen. Ik heb het recht op toegang tot, verbetering of schrapping van die gegevens. Mijn gegevens worden niet aan derden doorgegeven. ​