Tertio 1028 - “In de vroege middeleeuwen was de kerk zeer modern”

“In de vroege middeleeuwen was de kerk zeer modern”

Met Niet meer blaffen naar de maan zet Raoul Bauer zijn zoektocht naar middeleeuwse Godsbeelden verder. De historicus focust in zijn jongste boek op het samenspel van religie, wetenschap en magie. Tertio zocht hem op voor een boeiend privécollege over zijn “ongedurig zoeken naar inzicht”.

Geert De Cubber

“Toen ik jaren geleden een boek wilde schrijven over het Gods- en mensbeeld bij de monniken in de 12de eeuw, kwam ik tot de vaststelling dat ik mij voor een goed begrip in de vroege middeleeuwen moest verdiepen”, steekt Raoul Bauer van wal. Daarop schreef de emeritus hoogleraar cultuurgeschiedenis (KU Leuven) rijke studies over Karel de Grote en Clovis. “Voor mijn verdere zoektocht – mijn collega Raf De Keyser noemt het terecht een ‘ongedurig zoeken naar inzicht’ – moest ik de focus verleggen naar het drieluik religie, wetenschap en magie. Maar daarmee stelde zich een ander probleem. Tussen die drie kan je weinig of geen schotten plaatsen. Doe je dat toch, dan doe je de historische werkelijkheid geweld aan.” Niet meer blaffen naar de maan is het resultaat van Bauers zoektocht. In zijn jongste boek beschrijft hij middeleeuwers die de drie dimensies belichamen. Het voorlopige eindpunt ligt aan het begin van de 12de eeuw. “De tweede helft van die eeuw is – ook inhoudelijk – een andere periode”, schetst de auteur. “Wil ik daar recht aan doen, dan moet ik daarover een nieuw boek schrijven.”

Van zwarte naar witte magie

“Als je het verband tussen religie, magie en wetenschap wil onderzoeken, mag je dat niet al te zeer vergelijken met de situatie vandaag”, waarschuwt Bauer. “Het gaat niet om een ononderbroken ontwikkelingslijn. In de vroege middeleeuwen zoekt men wegen om de wetenschappelijke kennis te bewaren. Tussen religie en wetenschap bestaat geen tegenstelling. Met magie is dat enigszins anders. Magie wordt in de vroege middeleeuwen negatief bekeken. Meestal gaat het over zwarte magie en weerklinkt het verzet tegen de astrologie. Augustinus bijvoorbeeld vindt het idee dat de stand van de sterren het menselijke gedrag beïnvloedt, maar moeilijk te verzoenen met het bestaan van de vrije wil. Die negatieve houding verandert in de tweede helft van de 12de eeuw. Omdat Arabische bronnen tot hier raken, komt men tot andere inzichten. Naast zwarte is er ook witte magie en de waardering voor astrologie neemt toe.”

Geen rechtstreekse lijn

De aanzet voor die appreciatie wordt misschien door Isidorus van Sevilla (560-636) gegeven. “Al blijven de meningen verdeeld”, nuanceert Bauer. “In de daaropvolgende eeuwen ontaarden godsdienst en magie, zoals zo schitterend beschreven door Marguerite Yourcenar in L’œuvre au noir. In de 16de en 17de eeuw leidde dat zelfs tot heksenprocessen. Nogmaals: in die evolutie zit geen rechte lijn. Elke generatie legt eigen accenten.”


“Tussen religie, wetenschap en magie kan je in de vroege middeleeuwen geen schotten plaatsen”, zegt Raoul Bauer.  © gdc

Toch vindt Bauer het interessant de verhouding tussen wetenschap, religie en magie ook vandaag te analyseren. “Er is een verwetenschappelijking van de samenleving en het denken”, stelt de emeritus vast. “De wetenschap is er onmiskenbaar op vooruitgegaan. Gelukkig maar. Religie daarentegen is in het Westen in crisis. Dat leidt tot nieuwe wegen om religie te beleven. Die vernieuwing kan er onder meer in bestaan dat men teruggrijpt naar het vroege christendom. Tegelijk blijven astrologie en magie succesvol. Toen in de 11de eeuw in Normandië een potvis aanspoelde, zorgde dat voor een vergelijkbare volkstoeloop als vandaag. En tijdens een recente zonsverduistering kwamen mensen op bepaalde iconische plekken samen om die eclips te beleven. Ook de weekbladen over astrologie blijven populair. Nee, magie is niet dood.”

Terug naar essentie

“Teruggrijpen naar geschiedenis kan inspireren”, gaat Bauer verder. “Zie maar hoe paus Franciscus vandaag poogt de kerk te actualiseren door terug te gaan naar een kerk die bevrijd is van het gregoriaanse machtsdenken. In de vroege middeleeuwen was de kerk zeer modern. Dankzij de kerk kon de antieke cultuur doorleven en sloeg ze tegelijk de brug naar het nieuwe. Leken hadden een prominente plaats. Vrouwen hadden hun inbreng. De relatie tussen leken en bisschoppen was vertrouwelijk en vaak constructief. Pas in de 8ste eeuw veranderen en formaliseren de verhoudingen. Dat er een structuur op poten wordt gezet, is uiteraard begrijpelijk, maar vanaf de 11de eeuw gaat men daarin te ver. De harde houding tegenover gehuwde priesters bijvoorbeeld botst met de historische realiteit. Wat onder meer begon als een machtsstrijd tussen seculiere en reguliere geestelijkheid, wordt op de duur een geloofspunt. Als je consequent teruggrijpt naar de eerste eeuwen van het christendom, ligt daar volgens mij een nieuwe toekomst voor de kerk. Niet dat met gehuwd priesterschap alle problemen van de baan zijn, maar een terugkeer naar de Bron helpt wel om opnieuw naar de essentie te gaan.”

Gerbert van Aurillac

Naast Isidorus van Sevilla en Beda Venerabilis (672-735) komt ook de geleerde paus Gerbert van Aurillac (ca. 946-1003) aan bod. Om verschillende redenen noemt Bauer hem “een merkwaardige figuur”. “Hij is van eenvoudige afkomst, kan toch verder studeren en schopt het uiteindelijk tot paus Sylvester II. Wat concrete wetenschappelijke verwezenlijkingen betreft, heeft hij weinig tot niets bijgebracht. Maar in de combinatie van dialectiek en praktische verwezenlijkingen – hij vond het telraam en het astrolabium uit en introduceerde de Arabische cijfers – ligt hij mee aan de basis van het latere wetenschappelijke denken. Zoiets kenden de Grieken niet. Zijn faam krijgt een donkere kant wanneer belangrijke auteurs in de 12de eeuw – zoals de Engelse historicus William van Malmesbury (1080-1143) – hem een pact met de duivel aanwrijven. De verhalen over hem worden daarop hernomen en aangedikt zodat hij de allure krijgt van een 10de-eeuwse Faust.”

Kortstondigheid van het leven

Niet meer blaffen naar de maan is rijkelijk gelardeerd met anekdotes, maar net die petites histoires maken het boek toegankelijk. Zo vertelt Bauer hoe uiteindelijk door een pittige discussie over de juiste paasdatum op de synode van Whitby (664) de Romeinse vorm van het christendom het wint van de Keltische. Persoonlijk was de auteur getroffen door een verhaal over de bekering van koning Edwin van Northumbrië (ca. 584-632/33). Een van zijn koninklijke raadslieden vertelt hoe een mus uit de donkere nacht een warme verlichte zaal binnenvliegt en die aan de andere kant verlaat, opnieuw de donkere nacht in. “De vlucht van die vogel door de zaal staat symbool voor de kortstondigheid van het leven. Wat ervoor komt en wat erna volgt, weten we niet. Maar in Christus zie je zowel het verleden als de toekomst, luidt de redenering. Meer nog: in de geboorte van Christus zit al zijn terugkomst. Op basis van dat verhaal wordt het christendom aanvaard. Dat Beda Venerabilis dat verhaal met nadruk vertelt, zegt veel over de man.”  III

» Meer lezen (pdf, enkel voor abonnees)

Tertio in je mailbox

Geef hieronder je e‑mailadres in en blijf als eerste op de hoogte van Tertio inhoud.

Ja, ik geef mijn toestemming om mijn naam- en adresgegevens, telefoon en email, op te nemen in het bestand van het christelijke opinieweekblad Tertio, Louis Frarynlaan 75, 2050 Antwerpen. Ik heb het recht op toegang tot, verbetering of schrapping van die gegevens. Mijn gegevens worden niet aan derden doorgegeven. ​