Tertio 1026 - Met Newman krijgt kerk atypische heilige

Met Newman krijgt kerk atypische heilige

Paus Franciscus verklaart op 13 oktober onder anderen John Henry Newman (1801-1890) heilig. De timing is niet zonder betekenis. Eind dit jaar is het 150 jaar geleden dat het Eerste Vaticaans Concilie begon, het Concilie van de pauselijke onfeilbaarheid. Juist Newman uitte destijds kritiek op dat dogma. Even betekenisvol is dat de canonisatie plaatsvindt middenin een bisschoppensynode waar collegialiteit en luisteren naar het volk Gods vooropstaan. Was Newman niet de auteur van het artikel On Consulting the Faithful in Matters of Doctrine (1859)?

Dat de Engelse denker en dichter John Henry Newman wordt heiligverklaard, is op zich niet verrassend. Zijn leven en werk oefenden grote invloed uit op de katholieke theologie, het katholiek hoger onderwijs en het leven van gelovigen wereldwijd. Bovendien heeft hij een schare trouwe fans die al meer dan zestig jaar lobbyen voor zijn verheffing tot de eer der altaren. Die zaak is nu beklonken. De kerk erkent dat Newman de christelijke deugden in heroïsche mate beoefende en bijgevolg het gelaat Gods schouwt. En toch houdt een heiligverklaring een zeker gevaar in. Canoniseren is namelijk altijd een beetje domesticeren. Newman is vanaf nu een voorbeeldig katholiek – een “specialiteit van het huis” – en dat is ironisch, want eigenlijk was hij een bijzonder eigenzinnige katholiek. Zowel wat zijn denken als wat zijn karakter betreft.

Eigenzinnige denker

Alles aan Newmans katholieke parcours was eigenzinnig. Het begon al met zijn bekering op 9 oktober 1845. Hij bracht niet alleen zichzelf mee, maar ook een boek. In An Essay on the Development of Christian Doctrine legde hij uit waarom de kerk van Rome – en niet die van Engeland – de ware erfgenaam van de vroege kerk was. Maar hij deed dat zo ongebruikelijk dat hij het in Rome mocht gaan uitleggen. Een paar jaar later had hij opnieuw een Romeins probleem toen hij beweerde dat het tijdens de crisis van het arianisme – een leer die de Drie-eenheid niet accepteert, maar Jezus en de Geest als ondergeschikt aan de Vader beschouwen – in de 4de eeuw de bisschoppen waren die met de ketterse wind meewaaiden, terwijl de leken de orthodoxe leer overeind hielden. Toen de kwestie van de pauselijke onfeilbaarheid op tafel lag tijdens Vaticanum I, was Newman een van de weinige Engelse katholieken die zich publiekelijk afvroeg of het verstandig was dat dogma te definiëren. Half Engeland dacht in die periode dat hij weer anglicaan zou worden. Die hoop werd de kop ingedrukt toen Leo XIII hem kardinaal maakte in 1879, maar dat redde zijn reputatie niet.

Geen modernist

Voor veel katholieke modernisten in het begin van de 20ste eeuw was Newman een geestverwant. Hij had de aanzet gegeven voor een historisch, dynamisch, op ervaring gebaseerd begrip van openbaring. Enkel met de grootste moeite konden Romegezinde theologen aantonen dat Newmans gedachtegoed te verenigen was met de heersende scholastieke orthodoxie. Hoewel dat soms ten koste ging van de eigenheid van Newmans denken, is het aan hen te danken dat Newman behouden werd voor de katholieke theologie en dat hij als inspiratie kon dienen voor heel wat bisschoppen en theologen in de woelige aanloop naar Vaticanum II. Bovendien hadden ze gelijk. Newman was geen modernist.
 

Glasraam van John Henry Newman in de katholieke Sint-Jozefskerk van Leeds.  © rr
Glasraam van John Henry Newman in de katholieke Sint-Jozefskerk van Leeds.  © rr

Openbaring

Het is niet omdat er op de kerk van alles aan te merken is, dat ze niet moet worden geloofd. Die overtuiging maakt de kern uit van Newmans denken. Aan de ene kant wist hij heel goed dat de kerk een treurig schouwspel was. “Het gelaat van de zichtbare kerk is zonder twijfel bijzonder teleurstellend voor een eerlijk mens, wat zeg ik, het is in zekere zin een schandaal”, schreef hij ooit. Maar dat neemt niet weg dat de kerk de vindplaats blijft van Gods zelfopenbaring. Of categorischer in zijn woorden: “Het woord van de kerk is het woord van de openbaring. Dat de kerk het onfeilbare orakel is van de waarheid is het fundamentele dogma van de katholieke religie”. Dat laatste horen we niet graag. Vandaag nog minder dan toen. Maar de woorden van een heilige moeten schuren.

Ook Newmans eigenzinnige persoonlijkheid speelde zijn reputatie parten. Dat bleek eind jaren 1950, toen de start van zijn canonisatieproces in Rome werd voorbereid. In een reeks artikelen betoogde de traditionalistische Amerikaanse theoloog Joseph Fenton dat Newman overgevoelig was geweest en rancuneus; allesbehalve een toonbeeld van heiligheid. Newman beklaagde zich in zijn dagboeken vaak dat hij van niemand erkenning kreeg en dat de hiërarchie hem in al zijn projecten dwarsboomde. Zoiets betaamt een priester niet, aldus Fenton. Een priester is geroepen te doen wat de hiërarchie goeddunkt, niet wat hij zelf denkt dat hem het beste ligt. Newman had geen reden tot klagen.

Heroïsch lijden

Fenton werd van repliek gediend door een jonge jezuïet, Vincent Blehl. Die schreef: “Het is niet ondenkbaar dat wat Fenton ziet als rancune tegen oversten en een onbetamelijk verlangen naar eer en erkenning, ooit officieel bestempeld zullen worden als het heroïsche lijden van een heilige”. Een profetische opmerking zou je denken, ware het niet dat Blehl net postulator geworden was voor Newmans canonisatie. Hij handelde zogezegd met voorkennis. Daarmee is niet gezegd dat Newman eigenlijk rancuneus was. Wel dat zijn karakter een scherp randje had en behield. Hij was bijzonder gevoelig voor onrecht, ook waar het zijn eigen persoon betrof. Newman was niet het type heilige wiens persoonlijkheid in het niets verdwijnt door volkomen zelfgave. Dat doet niets af aan zijn heiligheid, hoogstens aan het ooit vigerende ideaal van zichzelf volkomen wegcijferend priesterschap.
En zo zijn we terug bij het risico van canonisatie. Het is al snel een excuus om negatieve trekjes te negeren: heiligen zijn zo niet, dus was hij zo niet. Het is een houding die doet denken aan dat onsterfelijke vers van Gerard Reve: “Als de kardinaal een scheet heeft gelaten, zeggen ze: ‘Sjonge jonge, wat ruikt het hier lekker, net of iemand lever met uien staat te bakken’. Dat soort katholieken, daar ben ik niet dol op”. Net zomin overigens als op katholieken die zeggen dat heroïsche deugd niet bestaat. Soms bakt een kardinaal wel degelijk lever met uien. Eigenlijk is het met kardinalen en heiligen net als met de kerk. Het is niet omdat we er iets in zien dat van God is, dat we over het menselijke tekort heen kijken. En het is niet omdat we zoveel menselijk tekort zien, dat we blind zijn voor wat er goed is en van God komt.  III

» Meer lezen (pdf, enkel voor abonnees)

Tertio in je mailbox

Geef hieronder je e‑mailadres in en blijf als eerste op de hoogte van Tertio inhoud.

Ja, ik geef mijn toestemming om mijn naam- en adresgegevens, telefoon en email, op te nemen in het bestand van het christelijke opinieweekblad Tertio, Louis Frarynlaan 75, 2050 Antwerpen. Ik heb het recht op toegang tot, verbetering of schrapping van die gegevens. Mijn gegevens worden niet aan derden doorgegeven. ​