 |
Pleidooi voor respect en waarheidsliefde.
Etienne Vermeersch | Het interview met mij in Tertio nr. 495 heeft nogal wat mensen aangezet tot reageren. Zeer goed. Maar moet dat ook met sneren zoals: “simplistische uitspraken”, “slinkse ingreep”, “een verstand dat niet volwassen wordt”, “drogredeneringen” (het correcte woord is ‘drogredenen’) enz. ? Tegenover deze uitingen van christelijke naastenliefde heb ik geen verweer; maar voor hen die iets zinvols willen zeggen, ben ik wel bereid tot een antwoord. Guido Dierickx (GD) tracht mijn visie op de relatie tussen slavernij en christendom aan het wankelen te brengen; vruchteloos. Zijn titel zegt dat de mensenrechten niet begonnen met de Verlichting; ik heb nooit het tegendeel beweerd: sommige mensenrechten worden reeds gegarandeerd door de Codex van Hammurapi (18de eeuw V.C.). Mijn betoog ging echter niet in de eerste plaats over de Kerk, maar over Gods Openbaring. Voor mij verliest die (OT en NT) elk krediet omdat ze een zo afschuwelijk instituut als de slavernij ten volle goedkeurt en ondersteunt. (zie o.a.. Gen. 9, 25-27; Ex. 21, 20-21; Lev. 25, 44-46; Spr. 20, 19; Sir, 33, 25-30 (!); Luc. 12, 47; Ef. 6, 5; 1Tim. 6, 1-2; Tit. 2, 9-10; Fil. 8-19; Kol. 3, 22-25; 1Pet. 2, 18-23; - let wel, soms vertaalt men ‘knecht’ of ‘dienaar’ waar ‘slaaf’ moet staan - ). GD. kan niets citeren dat mijn algemene stelling hierover ontkracht. Over de Kerk zegt hij dat die niet de politieke macht had om de slavernij af te schaffen. Maar de Kerk wilde ze niet afschaffen: ze heeft dat instituut ondersteund en bevestigd. Ignatius van Antiochië (ca 100), Basilius de Grote (4de eeuw), Johannes Chrysostomus (4de eeuw), Augustinus (ca 400), paus Gregorius de Grote (6de eeuw) enz. - om maar enkele van de grootste Kerkvaders te noemen – hebben de slavernij verdedigd en de slaven tot gehoorzaamheid aan hun meesters aangezet. Zo wordt verzet tegen verdrukking een zonde! Als bekrachtiging van een immorele maatschappijordening kan dat tellen. De Kerk heeft nooit de “legitimatie van de slavernij ondermijnd”. Augustinus zegt met fierheid: we hebben van slechte slaven goede gemaakt! Verre van “een slavenopstand te prediken” is de Kerk vanaf de 5de eeuw vrij snel uitgegroeid tot de grootste slavenhouder van Europa: dat is wel iets anders dan de slavernij “dulden”. Zoals bij de stoïcijnen en de Romeinse juristen vindt men bij de christenen hier en daar aansporingen om de slaven goed te behandelen. Het zou er nog aan ontbreken! Dat de Hebreeën een “opvallende gematigde vorm” van slavernij kenden, is een grove misvatting. Raadpleeg maar eens Excurs 26 van Strack en Billerbeck. Wel was de behandeling van de joodse slaven eerder mild, maar die van de niet-joodse was des te wreder: ze werden als vee beschouwd en behandeld (zie bvb. Sirach 33, 25-30 en Spreuken, 29,19). GD zegt dat de Kerk “zelden” tot een veroordeling van de slavernij kwam; de waarheid is: tot halfweg de 19de eeuw nooit. Ik wacht op een weerlegging met citaten. Ook de reële situatie van de slaven in de Middeleeuwen was minder rooskleurig dan GD vermoedt. Zoals in het Oude Rome waren er geregeld vrijlatingen van slaven. Dat was echter niet het geval bij kerkslaven: die waren immers eigendom van God. Het 4de concilie van Toledo (633) schrijft voor dat een bisschop die zomaar een kerkslaaf vrijlaat, er op zijn kosten twee moet teruggeven. Het schandelijkste is wellicht het voorschrift van het 9de concilie van Toledo (655), waardoor onschuldige kinderen, verwekt door de ontucht van een priester, voor altijd kerkslaven worden. Maar het detailleren van al die wreedheden zou ons te ver leiden. Dat Thomas van Aquino de slavernij “als strijdig met de christelijke moraal beschouwde” is volstrekt onjuist. Thomas aanvaardde de slavernij en verdedigde het Romeinse principe partus sequitur ventrem: als de moeder slavin is, heeft het kind hetzelfde statuut. Het colloquium van Valladolid (1550) had helemaal geen betrekking op de slavernij in het algemeen, maar alleen op de vraag of men de Indianen tot slavernij mocht brengen. De negerslavernij kwam daarbij niet in het gedrang. Wat Lessius betreft, zou ik graag het bewijs zien dat hij de slavernij afwees: over Grotius weet ik zeker dat hij die goedkeurde. Dat tegen het einde van de Middeleeuwen “de slavernij in West-Europa verdwenen was”, is door Charles Verlinden op een verpletterende wijze weerlegd. Degenen die in Bologna werden vrijgekocht in 1256 waren geen slaven, maar “servi et ancillae”, d.w.z. laten en halfvrijen. In Italië, Spanje en Portugal bestonden, tot in de 17de eeuw naast deze servi, een groot aantal echte sklavi , vergelijkbaar met de Romeinse slaven. Ze werden vanaf ca 1200 ‘slaven’ genoemd omdat de invoer ervan het gevolg was van strooptochten langs de oevers van de Zwarte Zee (Slaven!). Die slavenhandel stond los van de strijd tegen de ‘Sarazenen’. Naarmate die toevoer afnam - mede door de verovering van Byzantium door de Turken (1453) - gingen de prijzen van slaven naar omhoog en daalde hun aantal. Zo waren er in 1485 in Genua 2059 sklavi, tegenover 7000 in 1381. Veel daarvan waren in het bezit van de adel, maar men vindt in Genua ook 15 priesters die slavinnen hadden en 12 nonnenkloosters. Die priesterlijke voorliefde voor slavinnen hield ondanks de schaarste nog lang stand. In Francofonte (bij Syracuse) bvb. waren er in 1569 op 3009 inwoners nog 32 slavinnen; daarvan behoorden 15 toe aan 12 priesters; wat dat in mijn verbeelding oproept, strookt met wat de bronnen vermelden. Werden de middeleeuwse slaven met ‘christelijke liefde’ behandeld? In Genua (15de eeuw) werd een meester die tijdens een tuchtiging een slaaf gedood had, ongemoeid gelaten, tenzij hij een metalen wapen had gebruikt. Bij onderzoek inzake misdrijven werden slaven gefolterd. Vanaf de 17de eeuw kunnen alleen nog heel rijke mensen zich slaven veroorloven. Zo koopt in 1603 de vice-koning van Savoie een knaapje “per la gioia”. De aartsbisschop van Cagliari koopt er twee, één van 8 en één van 5 jaar; bij hem wordt het pedofiele aspect wijselijk niet vermeld. Het is volstrekt onjuist dat de pausen algemene veroordelingen uitspraken tegen de slavernij; wel integendeel. In 1454 gaf Nicolaas V de uitdrukkelijke toestemming aan de koning van Portugal om moren en heidenen tot slaaf te maken. In 1548 bevestigt Paulus III het recht van priesters en leken – in zijn eigen Staat - om slaven te houden. In 1571 had Pius V zelf nog vierhonderd slaven, meestal Turken In de 17de eeuw kochten de pausen hun slaven vooral bij de Orde van Malta (religieuzen als slavendrijvers!). Dat was het geval voor Urbanus VIII in 1629 en voor Innocentius X in 1645. Alexander VII daarentegen kocht ze in 1665 in de Levant. Deze slaven werden vooral gebruikt voor de galeien, waar ze naast galeiboeven zaten. Dag en nacht bleven ze geketend. Denk hierbij alleen al aan de hygiënische aspecten. Humaniteit vergt ook enige verbeelding… Ook na de Déclaration des Droits de l’Homme et du Citoyen (1789) en de afschaffing van de slavernij in de Franse koloniën in 1794, had paus Pius VI (1775-1799) nog galeislaven. De andere Europese vorsten hadden deze gruwelijke praktijk toen al enkele decennia vroeger afgeschaft. Hoe kan men beweren dat de Kerk de slavernij veroordeelde wanneer pausen, bisschoppen, priesters, nonnen, kloosters (ook jezuïeten), slaven en slavinnen hadden tot wanneer dat gebruik om economische redenen verdween? Dat was in het katholieke Brazilië slechts in de tweede helft van de 19de eeuw het geval. Alle beweringen betreffende een positieve invloed van het christendom op de slavernij raken kant noch wal tot aan de inzet van enkele Quakers vanaf ca 1750. Alle beweringen hierover betreffende de katholieke Kerk zijn tot aan Vaticaan II onjuist. Ik heb dit probleem grondig bestudeerd, maar ik sta open voor elk bewijs (bewijs!) van het tegendeel. De kritiek van Felix Wagemans (nr 498) zou ik op dezelfde wijze kunnen ontzenuwen, maar wegens plaatsgebrek verwijs ik alleen naar de tientallen eminente theologen die sinds Auschwitz geworsteld hebben met het probleem van het lijden in het licht van de goddelijke almacht. Al die mensen, die in het uitstekende werk “Hoelang nog en waarom toch? God, mens en lijden.” (J. Lambrecht, ed.) vermeld worden, kun je niet zomaar als “deïsten” opzij zetten. Wat het persoonlijk geweten betreft, raad ik FW aan de definities ter zake in de Catechismus van de Katholieke Kerk (1992) te lezen en als hij het dan nog niet begrepen heeft, zie Klein Theologisch Woordenboek van K. Rahner en H. Vorgrimmler onder ‘geweten’. Ook inzake de Verrijzenis als historisch feit verwijs ik naar die, door de paus en alle bisschoppen goedgekeurde, Catechismus. Ik blijf bereid tot ernstige discussie, maar zonder een minimum aan feitenkennis en gevoeligheid voor de ernst van de problemen, wordt dat vlug tijdverlies. Bijbel en slavernij Guido Dierickx | Etienne Vermeersch (E.V.) haalt in zijn recente lezersbrief (Tertio nr. 501) bijbelcitaten aan die hij verstaat als een rechtvaardiging van de slavernij. Eerst iets over die uit het ‘Oude Testament’. Ja, daarin staan uitspraken die de slavernij rechtvaardigen. Beschouwen christenen die als ‘geopenbaarde waarheden’? Nee, wel als elementen van een culturele traditie die zich stilaan tot een openbaring ontwikkeld heeft. Fundamentalisten schrijven aan alle verzen van de Bijbel dezelfde waarde toe. Dat doen wij niet en de auteurs van het ‘Nieuwe Testament’ evenmin. Over naar de verzen die E.V. aanhaalt uit het Nieuwe Testament. Het is waar dat Paulus de slaven, zoals ook de kinderen en de vrouwen, aanmaant tot gehoorzaamheid. Maar waarom laat E.V.de verzen weg die daarop volgen en die gericht waren tot de meesters van die slaven? Die moeten toen minder gewoon geklonken hebben. Meesters hebben ook hun plichten, moeten ook een soort gehoorzaamheid betonen tegenover hun slaven. Eigenlijk predikte Paulus een wederzijdse onderdanigheid die nauw aansluit bij de christelijke naastenliefde. Dit ideaal richt zich op de relatievorming tussen mensen en is allicht daarom niet zo bevattelijk voor wie denkt in termen van individuele rechten. Maar zelfs die moet kunnen inzien dat dit ideaal, ook als het geen evenwichtige juridische relatie op het oog had, toen erg veeleisend was en tevens het meest haalbare. Volgens sommige auteurs zou dit ideaal een louter spirituele draagwijdte gehad hebben, bedoeld voor de relatie tussen God en de mensen en niet voor de relatie tussen de mensen onderling. Maar deze interpretatie is niet vol te houden voor wie meer weet over de gemeenschapsvorming van de eerste christenen. E.V. citeert ook uit de parabel van de heer en de ontrouwe “beheerder” bij Lucas, hoofdstuk 12. Is deze heer niet vreselijk streng, zo streng als een mens enkel tegenover een slaaf kan zijn? Wie echter een beetje met de evangelies vertrouwd is, weet dat het hier om een eindtijdelijke straf gaat die voor God voorbehouden wordt en onttrokken wordt aan het oordeel van de mensen. E.V. vergeet bovendien een pittig detail: de ontrouwe ‘beheerder’ zal worden gestraft omdat hij de slaven en slavinnen mishandelde. En ten slotte. E.V. beweert dat ik uit de Bijbel geen teksten kan aanhalen die de slavernij contesteren. Toch wel, ik deed een beroep op de brief aan Filemoon. Slechts één verwijzing weliswaar, maar ik schreef dan ook voor de lezers van Tertio (en niet tegen E.V.). Die hebben niet veel nodig om herinnerd te worden aan het gebod van de caritas in het N.T. Of had ik nog maar eens Galaten, hoofdstuk 3, moeten vermelden? De moeilijkheid is dat ook E.V. zich beroept op Filemoon, maar dan om Paulus voor te stellen als medeplichtig met de slavernij. Daar breekt mijn klomp. Paulus vraagt Filemoon om een weggelopen slaaf opnieuw in zijn huis op te nemen, niet meer als slaaf maar “als een geliefde broeder”. Op het eerste gezicht als een persoonlijke gunst, maar bij nader inzien als een eis die “een mens en een christen” wel moet inwilligen. Vooral als hij niet enkel onder druk gezet wordt door Paulus, maar eveneens door de christelijke gemeenschap waarvan Filemoon lid is en aan wie de brief ook geadresseerd is. Zo heeft men in de regel deze brief gelezen en allicht daarom werd hij in de canon van het Nieuwe Testament opgenomen. E.V. slaagt erin hem heel anders te lezen. Heel verrassend. Maar goed, E.V. noemt zijn brief een “pleidooi voor respect en waarheidsliefde”. Hopelijk blijft hij mij, althans in dit opzicht en na deze repliek, tot zijn medestanders rekenen. Kerk en slavernij (2)
Guido Dierickx | In de gedachtewisseling met Etienne Vermeersch (E.V.) werd al wat gezegd over de argumenten die hij ontleent aan de Bijbel. Daaraan hoeft niet veel toegevoegd te worden, tenzij misschien dit: S. Scott Bartchy, hoogleraar aan de UCLA en een zwaargewicht in deze materies, betoogt dat in de evangelies en bij Paulus een onverholen kritiek te vinden is op het toen algemeen aanvaarde patriarchale gezag. Dit haast absolute gezag van de pater familias strekte zich uit over zijn echtgenote, zijn kinderen en over zijn slaven, maar werd o.a. door Paulus en ook door Jezus niet erkend. Volgens hem past de kritiek op de slavernij helemaal in deze context. Over de uitspraken van kerkvaders, middeleeuwse theologen en pausen zijn tal van publicaties beschikbaar. Wat meteen opvalt is hoe hun interpretaties van elkaar verschillen. De kritiek van E.V. op het kerkelijke denken en doen is niet nieuw. Maar het wederwoord op die kritiek is dat evenmin. Wellicht vindt E.V. dat die replieken niet voldoen. Maar hij had toch mogen vermelden dat nogal wat van zijn historische beweringen niet boven alle betwisting verheven zijn. Ik heb die replieken vrij gemakkelijk kunnen vinden op het internet. Als ik dat kan, moet E.V. dat zeker ook kunnen. Laat me even stilstaan bij de pauselijke uitspraken. De katholieke ‘apologeten’ vermelden graag drie documenten: de bul ‘Sicut Dudum’ (1435) van Eugenius IV (naar aanleiding van de verovering van de Canarische eilanden), de bul ‘Sublimus Deus’ (1537) van Paulus III (naar aanleiding van de kolonisatie van de Nieuwe Wereld) en de constitutie ‘In Supremo’ (1839) van Gregorius XVI (in de context van de opkomst van het abolitionisme in de VS). Ik vind, eerlijk gezegd, dat de bewoordingen van deze documenten, niet mis te verstaan zijn. Aan de receptie van ‘In Supremo’ is evenwel een leerzame anekdote verbonden. De katholieke bisschop van Charleston (in het zuidelijke South Carolina) haastte zich om de Amerikaanse regering gerust te stellen: de paus had de handel in slaven maar niet het bezit van slaven willen veroordelen. Zijn lezing van de pauselijke tekst was onjuist en naar ons gevoel zelfs oneerlijk. Maar ze had het nut de kleine katholieke minderheid in het zuiden van de VS, in deze tijd toen het abolitionisme voor beroering begon te zorgen, niet als oproerkraaiers te doen doorgaan. Zo is het er dikwijls aan toegegaan. Rodney Stark merkt het op in “For the Glory of God”: de leiding van de Kerk sprak maar de plaatselijke ‘gelovigen, middelmatig als ze doorgaans zijn, wilden niet luisteren. Zij moesten immers de kosten van de kerkelijke idealen dragen. Erst das Fressen… Nog enkele details die E.V. uit mijn eerste bijdrage aanhaalt. Ik had inderdaad voorzichtiger moeten zijn toen ik schreef dat de slavernij op het einde van de middeleeuwen uit Europa verdwenen was. Dat haal ik bij erkende auteurs. Ik had echter moeten verduidelijken dat ik West en Noord Europa bedoelde, niet Zuid Europa. Dat was duidelijk op te maken uit de context, maar je ziet maar dat je niet voorzichtig genoeg kan zijn. Heeft de stad Bologna de slavernij niet echt en volledig afgeschaft in 1256-1257? Waarop zijn ze daar dan zo trots? Ze vinden dit een revolutionaire en profetische daad die, toegegeven, in het Italië van toen al te zeldzaam was. En inderdaad, uit de tekst van de zgn. Liber Paradisus blijkt geenszins dat deze emancipatiewet zich niet uitgestrekt zou hebben tot de eigenlijke slaven. Ik heb geen deskundigen gevonden die mij op dit punt tegenspreken. Nog dit. De titel van mijn eerste bijdrage (“De mensenrechten zijn niet begonnen met de Verlichting”) was niet de mijne, maar die van de eindredactie. Je weet hoe eindredactoren zijn: altijd op zoek naar een pakkende titel. Maar ik heb dit thema wel aangesneden en daarom de namen van Lessius en Grotius vermeld. Niet omdat ze grote bestrijders van de slavernij zouden geweest zijn (Grotius vond dat een individu zijn mensenrechten in grote mate aan een meester kon en mocht afstaan), maar omdat ze een beslissende fase gevormd hebben in de groei van onze opvatting over mensenrechten waaraan dan later ook de afschaffing van de slavernij werd vastgekoppeld. Fundamentalistisch gebruik van Schriftcitaten
Nikolaas Sintobon | Het “Pleidooi voor respect en waarheidsliefde” van Etienne Vermeersch in Tertio nr. 501 is merkwaardig. In het bijzonder de wijze waarop Vermeersch schriftcitaten gebruikt om zijn stelling kracht bij te zetten dat de joods-christelijke openbaring “de slavernij ten volle goedkeurt en ondersteunt”. Korte perikopen, soms maar een vers lang, worden aangehaald als onweerlegbaar bewijs; zonder op welke wijze dan ook de historische, religieuze, sociale of culturele context in overweging te nemen of de ruimere traditie waarbinnen deze teksten ontstaan zijn en gelezen worden. Meer in het bijzonder meet hij die fragmenten het gezag aan van “goddelijke openbaring” terwijl in de katholieke Kerk deze kwalificatie voorbehouden is de Heilige Schrift als geheel genomen, en dan nog wel in de lectuur die de Traditie ervan maakt. Als gelovigen op dergelijke wijze gebruik maken van hun heilige geschriften wordt dit bestempeld als fundamentalistisch.
Duizelingwekkend
Marcel Stroobants | Volgens o.a. Feuerbach en, naar ik meen te begrijpen, ook volgens prof. Vermeersch, is God een projectie om niet te zeggen een uitvinding van de mens. De reden dat discussies met prof. Vermeersch zo uitzichtloos zijn, ligt naar mijn bescheiden mening aan het feit dat juist hijzelf in dat bedje ziek is - en hoe! Op basis van wat hij meent te kunnen vaststellen, vormt prof. Vermeersch zich immers naar zijn eigen maatstaven een beeld van God, een God die bv. niet enkel het kwaad niet zou mogen toelaten (zodat de mens niet vrij zou zijn en dus geen mens zou zijn), maar die bovendien gedragingen en situaties van soms duizenden jaren geleden zou moeten be- en veroordelen op basis van bv. de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, liefst in overeenstemming met de interpretatie die de professor daaraan geeft. Gemakshalve gaat hij trouwens voorbij aan het nuchtere feit dat de mens een zondig wezen is en dat God hem die zondigheid voortdurend onder de neus wrijft, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament en in heel de geschiedenis van de Kerk. Nu blijkt dat God om een of andere reden niet is zoals prof. Vermeersch vindt dat Hij zou moeten zijn, concludeert de hij dat God niet kan bestaan. Zulk een standpunt is duizelingwekkend van... nou ja, ik wil niet onvriendelijk zijn. Behoefte aan aggiornamento
Jurjen Wiersma | In zijn lezersbrief in Tertio nr. 501 vliegt Vermeersch uit de bocht. Hij wil aantonen dat er een relatie bestaat tussen slavernij en christendom en beroept zich op een aantal losse Bijbelteksten. Wat hij doet is wat wij vroeger op het schoolplein bij een partijtje voetbal in de pauze riepen: 'drie penalties is een doelpunt'. Vijf teksten met het woord slaaf of knecht citeren uit het Oude en Nieuwe Testament en je 'bewijst' slavernij. Dit is bijbelgezag van honderd jaar leden en komt alleen nog voor onder zeer behoudende, zogenaamde Bijbelgetrouwe, christenen. Afzonderlijke Bijbelteksten aanhalen is not done. Dat leert elke eerstejaars theologiestudent tegenwoordig. Wat krijgt h/zij onderwezen? Het volgende: lees de Bijbeltekst eerst in de grondtaal, ga dan zorgvuldig vertalen, probeer vervolgens te exegetiseren en beoefen ten slotte hermeneutiek, de kunst van het vertolken (globaal: lees maar er staat niet wat er staat). Een belangrijke vuistregel is dat degene die dit traject naar behoren aflegt steeds van de delen naar het geheel kijkt en van het geheel naar de delen. Het geheel staat in dit verband in de Tien Geboden / de Tien Woorden: God heeft zijn mensen uit Egypte, uit Benauwenisland, uit het diensthuis geleid! (Exodus 20 en Deuteronomium 5). Het probleem met critici zoals Vermeersch is dat zij zijn blijven stilstaan terwijl kerk en theologie zich nieuwe inzichten hebben eigen gemaakt en zich hebben ontwikkeld. Kortom, Vermeersch behoeft een 'aggiornamento', een vlucht naar voren om bij de tijd te geraken. Dat kan altijd (nog).
Niet selectief lezen Jozef Decoene | Ik kan Etienne Vermeersch (Tertio Nr 501) in zijn oprispingen tegen de “slavernij” in de Bijbel goed volgen. Mag ik toch volgende overdenkingen formuleren ? 1. Het Hebreeuws van het Oud Testament bezit evenmin als de meeste Semitische talen een term die ons begrip “slaaf” precies uitdrukt. Het woord “Ebed” geeft alleen een relatie weer van afhankelijkheid. En deze was er onder diverse vormen. Het onderscheid tussen onbetaalde en betaalde arbeid was ook niet altijd klaar. Slavernij is er bij het Godsvolk wel geweest, doch nooit zo afschuwelijk als in de meeste landen van het Oude Oosten. Doorheen heel de geschiedenis loopt er een toenemende tendens van bevrijding onder druk van de profeten en ook in de vorm van sabbatjaren en jubilea. Het bevrijdend Woord Gods is via de profeten en later met Christus in een wereld van zonde geïncarneerd. Het liep doorheen tijden met variërende sociale structuren, die telkens als evident werden ervaren. Doorheen heel het Oude Testament erkennen we de pedagogische langzaamheid van een God die voorbereidt, die uitnodigt, voorlopig duldt, maar gaandeweg uitzuivert en richt. Vermeersch stoort zich in het bijzonder aan Jezus Sirach 33,25-30. De passus die hij aanhaalt behoort juist tot het Schriftgedeelte dat in zijn overgang tussen de Hebreeuwse redactie en de Griekse vertaling het meest bewerkt schijn te zijn. Kenners van dit deuterocanoniek boek signaleren heel wat tegengestelde tekstvarianten. De tot ons gekomen vertaling bevat onzekerheid. Maar Vermeersch stopt zijn citaat juist met vers 30, en vergeet dat we aansluitend in vers 31 mogen doorlezen: “Als je een slaaf hebt, laat hem zijn als jezelf… behandel hem als een broeder”. 2. Het Nieuw Testament is geschreven in de sfeer van de Grieks-Romeinse cultuur. In dat tijdsgewricht was de slavernij een onbetwistbaar gegeven. Jezus bracht haar ten tonele in zijn parabelen. Doch in die parabelen ligt de boodschap in de pointe, en niet in de omkaderende illustratie. De apostolische brieven wijzen in dat vanzelfsprekend kader op de wederzijdse plichten van heer en ondergeschikte. Doch de toenemende ondertoon is niet een pleidooi voor het behoud van deze tijdgebonden sociale structuur, maar wel de waardering voor de mens, en een vraag voor zijn diepe en totale bevrijding, die echter nooit ligt in een absolute autonomie. De culminerende openbaringsteksten over de christelijke visie op de mens vinden we in uitspraken van Paulus als: “Er is geen Jood of heiden meer, er is geen slaaf of vrije…” (Gal 3,28). Evenzo pleitte Paulus bij Filemon ten voordele van de vrijheid van diens gewezen slaaf Onesimus, opdat hij die als zijn broer zou aanvaarden (Filemon v. 16). De Bijbel moeten we lezen, niet selectief, maar in zijn geheel en in zijn voortschrijdende door de Geest geleide dynamiek.
Naastenliefde Filip Hacour en Koen Verheire | Ondertussen wijdde dit blad veel ‘nawoord’ aan het interview met E. Vermeersch. Wat kan er nog meer gezegd worden om Vermeersch van antwoord te dienen en de geloofwaardigheid van het christelijke verhaal kracht bij te zetten? Misschien kan enkel een uitmuntend beeld van schone naastenliefde een atheïst perplex doen staan. Bijvoorbeeld: de beslissing van Maximiliaan Kolbe om in de plaats van een jonge vader te willen sterven in de hel van Auschwitz. Al ‘lijken’ enkele toonbeelden van onbecijferbare goedheid niet op te wegen tegen de reële en manifeste aanwezigheid van het kwaad doorheen de mensengeschiedenis. Zou het dan toch niet zijn dat enkel ‘schoonheid de wereld redden kan’ (Dostojevski)?
|