TERTIO Geloofwaardig
Home HomeTertio TertioAbonneren AbonnerenBoeken BoekenArchief ArchiefContact Contact

Gerechtspsychiater Philippe Van Peteghem trekt lessen uit gefaald kerkelijk beleid

‘Nieuwe commissie moet transparantie vooropstellen’

 

De bisschoppen kondigen volgende week de opvolger voor de commissie-Adriaenssens aan. Welke lessen kunnen worden getrokken, vooral over de relatie justitie-welzijn, de vertrouwensrelatie in de hulpverlening en het gecontesteerde begrip ‘vergeving’? We vragen het aan dokter Philippe Van Peteghem, forensisch psychiater, gerechtspsychiater en hoofdgeneesheer in het psychiatrisch centrum Sint-Jan Baptist in Zelzate.

Jos Vranckx | Om te beginnen windt psychiater Philippe Van Peteghem er geen doekjes om als het over de beruchte huiszoekingen gaat. “Als er een klacht is, heeft het gerecht altijd de plicht een onderzoek in te stellen. Principieel heeft de onderzoeksrechter alle macht. Om het even wie kan een klacht met burgerlijke partijstelling bij de onderzoeksrechter indienen, waar die dan gevolg aan moet geven. Net zoals dat bijvoorbeeld het geval is bij klachten over een medische fout in het ziekenhuis.”

“Ik begrijp heel goed dat de commissie verkoos de binnengekomen dossiers eerst in eigen schoot te behandelen. Die houding is vergelijkbaar met die in de sportwereld vroeger. De verantwoordelijke organisaties wilden allerlei onfrisse praktijken zoals dopinggebruik binnenskamers behandelen tot justitie tussenbeide kwam.” Volgens Van Peteghem deed de commissie-Adriaenssens zeer zinvol werk, maar heeft ze één aspect van haar opdracht zwaar onderschat: het maatschappelijke belang ervan. “Het gaat immers om taboe-onderwerpen die bij de publieke opinie heel gevoelig liggen: seks, religie en de macht van de kerk.”

Vertrouwen
Was de inbeslagname van de dossiers dan geen precedent dat de vertrouwensrelatie met slachtoffers in het gedrang dreigde te brengen, zoals critici stelden? “Op basis van 25 jaar ervaring in samenwerken met het gerecht, kan ik zeggen dat het met het spanningsveld tussen justitie en gezondheidszorg wel meevalt”, vindt Van Peteghem.

“We kunnen terugvallen op het beroepsgeheim en hebben geen rapportageplicht. Als hulpverleners zitten we in een vrij comfortabele positie. We schakelen justitie in als we met een concreet gevaarlijke situatie te maken hebben, zoals bepaald in de collocatiewet en de wet ter bescherming van de maatschappij. Bijvoorbeeld als de persoon geestelijk gestoord is en een feitelijke bedreiging betekent voor de fysieke of psychische integriteit van zichzelf of anderen. We beschikken bij het werken met geïnterneerden over observatiegegevens en testbatterijen om bij een psychische zieke mens het risico op recidive in te schatten en de conclusie te melden aan de Commissie ter bescherming van de maatschappij.”

Geen verjaarde feiten
De vraag ‘wat doorgeven en wat niet?’ blijft niettemin een probleem. “Een heel sterk principe is dat we als strafbaar in te schatten feiten uit het verleden niet doorgeven, behalve indien ze vandaag nog een bedreiging vormen voor derden”, stelt dokter Van Peteghem. “Zaken die twintig, dertig jaar geleden gebeurd zijn, zijn vaak zodanig vastgeroest en gekristalliseerd dat de band met de realiteit weg is. Ze kunnen obsessies geworden zijn. Culpabiliseren en demoniseren zie je vaak in die gevallen: de ander wordt verantwoordelijk gesteld voor alles wat in het verdere leven is misgelopen. Van bij het begin de confrontatie aangaan met als doel vergoeding en vergelding, is nooit goed.  Vanzelfsprekend moet de nieuwe commissie heel duidelijk op voorhand krijtlijnen trekken, ook omdat justitie wel altijd over de schouders zal blijven meekijken, zeker na al wat gebeurd is. Daarvan moet men zich goed bewust zijn. Transparantie moet absoluut vooropstaan.”

Vergeving en verzoening
De mogelijkheid van vergeving en verzoening tussen dader en slachtoffer staat nu onder druk, of wordt met doofpotpolitiek gelijkgesteld. Cynische reacties in de media en bij forumdiscussies overwegen. Dokter Van Peteghem betreurt dat. “Slachtoffers van seksueel misbruik hebben drie mogelijkheden. Ze kunnen het gevecht aangaan om financiële compensatie te krijgen, maar dat eindigt meestal in escalatie en verbittering. Een tweede mogelijkheid die soms helpt is de ontkenning, wegdrukken van wat gebeurd is.”

“De derde mogelijkheid, vergeving en verzoening, is een optie die open moet blijven. De ervaring met bijvoorbeeld slachtoffers van oorlogsmisdaden, of van de genocide in Centraal-Afrika, toont aan dat mensen op een existentiële manier trauma’s te boven kunnen komen en hun leven weer in eigen hand nemen. Kardinaal Godfried Danneels heeft dus voor een stuk gelijk: je kunt zaken in der minne regelen. Maar dat gaat niet vanzelf. Het vergt voorbereiding en is een kwetsbaar groeiproces. De gemiddelde behandelduur om tot zo’n oplossing te komen is anderhalf jaar! Druk uitoefenen op het slachtoffer werkt hier helemaal niet.”

Recht moet geschieden

Vervolg van blz. 1.

Net zoals de Franse en de Luxemburgse kerk wenst de Duitse kerk voortaan nauwer samen te werken met het gerecht. Dat blijkt uit de herwerkte richtlijnen voor het omgaan met seksueel misbruik van minderjarigen door kerkelijke medewerkers die de Duitse bisschoppenconferentie vorige week bekendmaakte. De eerste editie van die richtlijnen dateerde van 2002, maar het bekend worden van nieuwe gevallen van seksueel misbruik en het verwijt niet genoeg samen te werken met justitie, zorgden ervoor dat de Duitse bisschoppen hun richtlijnen verscherpten.

Voortaan wordt van elk seksueel misbruik van minderjarigen aangifte gedaan bij het Openbaar Ministerie, tenzij het slachtoffer daar niet mee instemt en de kerk in dat geval de wet niet overtreedt door geen aangifte te doen. Wanneer er nog nieuwe slachtoffers kunnen vallen, wordt het gerecht sowieso zo snel mogelijk ingeschakeld. De Duitse bisschoppen hopen met hun richtlijnen vooral het verdoezelen en verzwijgen van seksueel misbruik te verhinderen. Ze pleiten voor openheid en transparantie en zullen ook inzetten op preventieve maatregelen om seksueel misbruik in de toekomst te vermijden.

In Nederland wil Wim Deetman, oud-minister en voorzitter van de onafhankelijke onderzoekscommissie naar het seksueel misbruik in de kerk, een “open boek” zijn voor het Openbaar Ministerie. Zijn argument daarvoor luidt dat hij “geen Belgische toestanden” wil waarbij het gerecht alle dossiers en computers in beslag neemt. Daarom maakte de commissie-Deetman ondertussen afspraken met het college van procureurs-generaal om de mogelijk strafbare feiten die ontdekt worden, te melden. Als het feit volgens het Openbaar Ministerie strafbaar is, dan informeert de commissie het slachtoffer daarover en kan er een aangifte worden gedaan.

Toch beklemtoont de Nederlandse commissievoorzitter dat de zorg en de hulp voor de slachtoffers absolute voorrang moeten krijgen in het kerkelijke beleid. Slachtoffers hebben allereerst recht op menselijke, psychologische, therapeutische en pastorale bijstand, al moeten de kerkelijke en burgerlijke autoriteiten evenzeer met gepaste maatregelen optreden tegen de daders van seksueel misbruik. Recht moet geschieden, maar dat is slechts een onderdeel van de zorg voor de slachtoffers.

 


 Toon alle artikels van dit nummer
 Terug naar het overzicht