|
In Frankrijk woedt een debat over het voorstel van president Nicolas Sarkozy om het stoffelijk overschot van de bekende auteur Albert Camus over te brengen naar het Panthéon in Parijs. Links verzet zich daartegen. Miel Swillens | Vijftig jaar geleden maakte een banaal auto-ongeval op de Route Nationale 5 een einde aan het leven van schrijver Albert Camus. De auto, bestuurd door Michel Gallimard, neef van de bekende uitgever, week van de weg af en reed te pletter tegen een plataan. De 46-jarige schrijver was op slag dood. Hij ligt begraven in Lourmarin in de Vaucluse. Links verzet zich tegen de overbrenging naar het Panthéon, want het ziet er een poging in tot politieke recuperatie door rechts. Camus was nochtans jarenlang kop van Jut voor links Parijs. Maar de schrijver is nu blijkbaar belangrijk genoeg om zowel door links als door rechts te worden opgeëist. In feite behoort hij bij geen van beide. Links nam Camus zijn anticommunisme kwalijk. Toen na de Tweede Wereldoorlog intellectuelen en kunstenaars bezweken voor de luchtspiegeling van Stalins arbeidersparadijs, liep Camus – nochtans ‘homme de gauche’ – niet in die val. In zijn essay L’homme révolté bekritiseerde hij de marxistische utopie die hij zag als een poging om de geschiedenis te vergoddelijken. De toekomst nam de plaats in van God. Alleen wat die toekomst diende, had waarde. Waar was wat in de ideologische kraam paste. Voor Camus was dat onaanvaardbaar.
“Slechts één zaak ter wereld lijkt me belangrijker dan rechtvaardigheid: dat is de waarheid, of althans de poging haar te bereiken.” L’homme révolté veroorzaakte een breuk met de linkse intellectuelen. De Rive Gauche keerde zich van Camus af. Voor Jean-Paul Sartre, de ‘maître à penser’ van Saint-Germain-des-Prés, was een anticommunist ‘un chien’. Camus, geboren in Algerije in een familie van proletarische pieds noirs, werd door zijn vroegere vrienden voor bourgeois uitgemaakt. Zijn vader, een wijnkelderknecht, sneuvelde in 1914 aan de Marne, zijn moeder was een ongeletterde schoonmaakster. Maar Camus was een bourgeois omdat hij niet in Stalin geloofde.
Links vergaf hem ook zijn houding tijdens de Algerijnse oorlog niet. Toen de Arabische bevolking in opstand kwam, was dat voor Camus een verscheurende ervaring. Algerije was het land waar hij opgroeide en waar zijn moeder – mémé d’Alger – woonde. Camus kon de toekomst van zijn geboorteland niet los zien van Frankrijk. Voor de radicale ideoloog Sartre was alles duidelijk en eenvoudig. Hij schaarde zich achter het Front de Libération Nationale (FLN), en vergoelijkte het geweld en de terreur van ‘les damnés de la terre’. Voor Camus was niets duidelijk of eenvoudig. Hij veroordeelde het geweld van beide zijden en pleitte vergeefs voor een bestand om de burgerbevolking te sparen. In Stockholm, waar hij de Nobelprijs voor literatuur in ontvangst nam, verklaarde hij tijdens een debat met studenten: “Ik veroordeel het terrorisme dat blind toeslaat in de straten van Algiers, en vroeg of laat ook mijn moeder of familie kan treffen. Ik geloof in rechtvaardigheid, maar ik verdedig eerst mijn moeder daarna de rechtvaardigheid.” In Parijs ontketenden die woorden een storm van verontwaardiging. Camus werd beschuldigd van kolonialisme en racisme. Hij kocht een huis in Lourmarin en verhuisde naar de Provence, waar het landschap hem aan zijn geliefde Kabylië herinnerde.
Albert Camus geloofde niet in God. De wereld was absurd omdat God niet bestaat. Maar in tegenstelling tot Sartre koesterde hij geen misprijzen voor de godsdienst. Aan een journalist die hem vroeg of hij van plan was zich tot het christendom te bekeren, antwoordde hij: “Nee, maar ik ben mij bewust van het sacrale, van het mysterie in de mens, en ik zie niet in waarom ik niet zou toegeven dat Christus en zijn leer mij ontroert.” In La peste stelt het personage Tarrou de vraag: “Peut-on être un saint sans Dieu?” Een heilige zonder God? Die indruk maakte Camus op sommigen van zijn bewonderaars. Maar een heilige was hij niet. Zeker niet met zijn vele amoureuze escapades. Maar wie hem zo zag, dacht ongetwijfeld aan de morele ernst waarmee hij zijn tijd tegemoet trad. Aan zijn liefde voor de waarheid. Aan zijn afwijzen van moord en terreur als politieke actiemiddelen. Aan zijn weigering om de moraal ondergeschikt te maken aan de politieke strategie. Als zodanig was hij een lichtend voorbeeld in een tijd van politiek fanatisme en ranzige orthodoxie.
Uw reacties zijn welkom op redactie@tertio.be. Bericht Riskant mediteren Guido Dierickx | Een volle pagina over de geestelijke leegte van onze samenleving, onlangs en in een niet erg katholieke krant. Je weet nooit waar je medestanders kunt vinden. Want over die geestelijke leegte klagen wij, christenen, al sinds eeuwen. Alle waardering voor de probleemgevoeligheid van Margot Vanderstraeten, columniste en essayiste van De Morgen. Maar ach, met haar gevoeligheden kunnen we instemmen, maar niet met haar remedies. Vanderstraeten meent het enorme succes van mindfulness te moeten betreuren. Waarom? Zijn de mensen er niet tevreden of gelukkig mee? Toch wel, maar dat zouden ze niet mogen zijn. Ze vindt die vorm van geesteshulpverlening ten eerste duur, althans voor de minder welvarenden onder ons. Juist, maar geen beslissend argument. Ik ken een adres waar die therapie gratis is en ben bereid dat adres gratis mee te delen. Mindfulness is, ten tweede, een oosterse meditatietechniek, dus niet besmet door een gelovige of theologische agenda. Voor Vanderstraeten een goed punt, zou je denken. Maar nee, ze vertrouwt het niet. Sommigen gaven in een onbewaakt ogenblik toe dat die meditatievorm, met zijn aandacht voor mentale en lichamelijke discipline, een propedeuse zou kunnen zijn tot de christelijke meditatie. De mogelijke verglijding naar religieuze praktijken wil Vanderstraeten liever voorkomen dan (te laat) afremmen.
Mindfulness beperkt zich, volgens Vanderstraeten, ook tot het bestrijden van individuele gevoelens van onvrede: stress, depressie, angst. En dat terwijl die volgens haar symptomen zijn van onze problematische maatschappelijke structuur. Van ons dolgedraaid economisch bestel? In elk geval zou ze aan het identificeren van die problematiek een groot publiek en politiek debat gewijd willen zien. Wie kan er nu bezwaar hebben tegen zo’n voorstel? Natuurlijk scheppen grote debatten aanvankelijk nog meer verwarring en dus nog meer stress. Maar met die tegenwerping zal ze wel raad weten: nog even op de tanden bijten. Want na dat grote debat, en na de daarop volgende maatschappelijke hervormingen, zullen wij, of althans onze achterkleinkinderen, leven in een paradijselijke wereld zonder behoefte aan oosterse (of westerse) meditatie, zonder behoefte aan hun krampachtige geestelijke weerbaarheid. Waarom toch willen gelovigen dat maar niet geloven? Dat zal Vanderstraeten zich hopelijk afvragen.
|