Manifest

Parochies zonder priester, eucharistievieringen op ongeschikte uren, gebedsdiensten zonder communie: dat hoeft toch allemaal niet? Waarom blijven de noodzakelijke kerkhervormingen zolang uit? Wij, Vlaamse gelovigen, vragen onze bisschoppen om de impasse waarin we terechtgekomen zijn te doorbreken. We doen dit in verbondenheid met medegelovigen in Oostenrijk, Ierland en vele andere landen, die eveneens aandringen op hervormingen die voor de kerk levensnoodzakelijk zijn.

 

Wij begrijpen niet waarom de leiding van onze plaatselijke gemeenschappen (parochies bijvoorbeeld) niet wordt toevertrouwd aan een man of een vrouw, gehuwd of ongehuwd, beroepskracht of vrijwilliger, die daartoe de nodige vorming heeft gekregen. We hebben toegewijde herders nodig.

Wij begrijpen niet waarom deze medegelovigen niet zouden mogen voorgaan in de zondagsvieringen. We hebben in elke levende gemeenschap liturgische voorgangers nodig.

Wij begrijpen niet waarom - waar geen priester voorhanden is - een woorddienst met communie niet zou mogen.

 

Wij begrijpen niet waarom bekwame leken en gevormde godsdienstleerkrachten niet zouden mogen preken. We hebben het woord Gods nodig.

Wij begrijpen niet waarom aan gelovigen van goede wil die na een scheiding hertrouwd zijn de communie moet geweigerd worden. Ze horen er evenwaardig bij.

Gelukkig zijn er al plaatsen waar men wél zo bezig is.

Wij pleiten er tevens voor dat binnen de kortste tijd zowel gehuwde mannen als vrouwen tot het priesterambt worden toegelaten. Wij, gelovigen, hebben hen nu broodnodig.

 

Christendom en moderniteit:
een wederzijdse uitdaging

Als het gaat om de band tussen christendom en moderniteit, dan roept dat onmiddellijk heel verscheiden reacties op, en dat kan ook niet anders. Zowel het christendom als de moderniteit wordt door ieder van ons verschillend beleefd. Want ‘dè moderniteit’ bestaat niet, zoals Herman De Dijn schrijft in Tertio (nr. 625, Moderniteit kan christelijke interpretatie niet toetsen), evenmin als ‘hèt christendom’ trouwens. De eerder combattieve toon van de bijdrage van De Dijn is alleen te begrijpen vanuit een verzet tegen die veelvormigheid en tegen het verlangen van vele gelovigen om het christendom op een moderne manier te beleven, aangepast aan de tijd waarin we nu leven. Wil dat zeggen dat de kerk zich moet ‘aanpassen aan de tijd’? Neen en ja. Natuurlijk mag ze de boodschap niet laten meegaan met de wind. Evenmin mag ze de enorme waarde van oeroude symbolen en rituelen uit het oog verliezen. En nog minder mag ze aan de wijsheid van de traditie voorbijgaan. Maar anderzijds zijn ook die rituelen en symbolen het resultaat van een bepaald tijd en een bepaalde cultuur, en ook de wijsheid van de traditie is verweven met de toen heersende inzichten. Ze zonder enige interpretatie overplaatsen naar een andere tijd is ze verminken.

Daarom bestaat de eigenlijke trouw aan de traditie er niet in ze immuun voor kritiek te verklaren, maar ze telkens opnieuw tot leven te laten komen in een veranderende context. Die veranderende context is voor ons ‘de moderniteit’. De vraag is dan ook niet of we blindelings bij de traditie blijven of blindelings de moderniteit aanvaarden. Geen van beide kan, zonder aan ons wezen van hedendaagse christen tekort te doen. Er is niet zoiets als ‘blindelings de moderniteit omarmen’. De moderniteit is een nog altijd voortgaand proces, en op de eerste plaats een proces van kritiek en zelf-kritiek. Waarin het christendom trouwens een belangrijke rol kan spelen en ook speelt, als kritiek op ‘de moderniteit’.

Maar de kritiek gaat onvermijdelijk in beide richtingen. Ook binnen de christen zelf: als christen stelt hij de moderniteit onder kritiek, en als levend in de moderne tijd stelt hij zijn christen-zijn onder kritiek. Dat is niet alleen onvermijdelijk, maar dat is ook gezond. Zo bevruchten ze elkaar. Want de moderniteit kan ongetwijfeld iets leren van het christendom, maar het christendom moet nederig genoeg zijn om in te zien dat het ook kan leren van de moderniteit. Dat gesprek is voor het christendom belangrijk niet alleen omwille van het feit dat het zich in de hedendaagse cultuur beweegt, maar vooral als het aan die cultuur een blijde boodschap wil brengen op een manier die verstaan kan worden. Dat vraagt op zijn minst een taal die voor de hedendaagse mens het goddelijke ‘bemiddelt’.

Het is dus geen kwestie van de moderniteit kritiekloos te omarmen. Maar dat kan geen alibi zijn om ze helemaal buiten te houden en de godsdienst ‘impermeable’ te maken. Alleszins zijn er een aantal basiselementen die tot elke vorm van moderniteit behoren, hoe men ze ook definieert. Zo zijn er de principes als de waardigheid van alle mensen (slavernij kan niet meer en mag niet meer kunnen), de scheiding van kerk en staat, de gelijkheid van man en vrouw. Een pleidooi voor de gelijkheid van man en vrouw, ook in de kerk (Tertio nr. 624) heeft dan ook niets te maken met subjectivisme of individualisme, of met een ongevoeligheid voor symbolische verschillen, zoals tussen man en vrouw, maar gewoon met beschaving: een beschaafde maatschappij kan daar niet aan voorbij. Eens we dat als onderdeel van beschaving zijn gaan zien, zal die vraag ook de kerk niet meer loslaten. Die gelijkheid van man en vrouw heeft ook niets – of althans niet rechtstreeks – te maken met het zich superieur wanen van de rede. Al zijn het wel vooral de grote denkers uit de Verlichting, die, jammer genoeg niet vanuit een christelijke hoek maar meestal er tegen in, daartoe sterk hebben bijgedragen.

De rede krijgt inderdaad in de moderne tijd een belangrijke plaats. En ook de wetenschap. Ook hier betekent moderniteit niet dat alleen de wetenschap recht van spreken zou hebben. Maar het geloof kan ook niet ingaan tegen wat we vanuit de wetenschap weten. Zo krijg je inderdaad het tegenovergestelde van de middeleeuwen: Thomas van Aquino gaf het denken zijn eigen autonomie, maar het mocht het geloof niet tegenspreken en kon en moest vanuit het geloof worden ‘gecorrigeerd’. Nu is het omgekeerd. Nu is het de rede die het geloof begrenst en uitzuivert: iets als een creationisme bijvoorbeeld, een letterlijk geloof in een schepping in zes dagen, kan niet meer. Dat heeft trouwens voor het geloof niet alleen negatieve kanten : het is diezelfde wetenschap die ons heeft geleerd om de bijbel ‘bijbelser’ te lezen, dat wil zeggen als een geloofsboek en niet als een pseudo-wetenschappelijke verklaring van de wereld.

Het gaat dus niet om de vraag of het christendom in het algemeen en het katholicisme in het bijzonder, de moderniteit kritiekloos moet omarmen. Het gaat wel om de vraag in hoeverre het de moderniteit kan of mag buitensluiten. En uiteindelijk gaat het om de vraag: welk soort kerk willen wij? Willen wij een kerk van de uitsluiting? Uitsluiting niet alleen van de moderniteit in al haar vormen, maar ook van die gelovigen die hun geloof op een hedendaagse manier willen beleven en zich door de moderniteit laten uitdagen? Of willen we een kerk van de ‘insluiting’? Een kerk die niet alleen het gesprek aangaat met de cultuur waarin ze leeft en daar op de eerste plaats de positieve kanten in zoekt, maar die vooral ook ruimte laat voor verschillende soorten katholieken. Niet alleen voor hen die zuiver in de leer zijn en/of het historisch gegroeide hiërarchisch model onaantastbaar aanvaarden, maar ook voor de zoekenden, de twijfelenden, de min of meer katholieken, de meer moderne en de meer traditionele, tot en met de vrome ongelovigen (Tertio nr. 625 blz. 15). Een kerk van bewogenen, niet alleen van de onbewogen vastheid en zekerheid. Het christendom gaat niet op de eerste plaats over hiërarchieën, over rituelen en tradities, of over symbolische onderscheidingen. Het gaat over God, die in Christus wordt getoond als God van liefde, voor alle mensen. En voor alle God-zoekers. Echte herbronning kan er maar komen door terug naar die inhoud te gaan.

André Cloots, hoogleraar filosofie KU Leuven

***

Heiligheid buiten het seculiere is een schijn van heiligheid

In hun tweede stellingname tegenover het manifest, “Gelovigen nemen het woord”, onderscheiden Marcel Gielis en Frans Van Looveren drie groepen: de integristen of conservatieven (Marcel Lefebvre), de modernisten of progressieven (Hans Küng en ook de ondertekenaars van het manifest) en tenslotte de apostolische stoel, waar de auteurs zich bij aansluiten en die de rol van rechter speelt. De eerste twee groepen zouden de moderniteit niet goed verteerd hebben en zijn in hun extremiteit vijandige tweelingbroers, de derde groep zou de gulden middenweg bewandelen.

Ter illustratie van dit alles wordt, tegen de ondertekenaars van het manifest in, verdedigd dat het Roomse leergezag de vrouw van het priesterschap uitsluit en dit betoog wordt besloten met de bedenking “Seculiere criteria zoals de gelijkheid van man en vrouw zijn hier irrelevant”. Laten wij met dit laatste beginnen.

Uit Ongehoord. Christen zijn volgens de Bergrede van P. Schmidt (2008, p. 43) haal ik: “Exegeten zijn het er wereldwijd over eens dat de aankondiging van de doorbraak van het koninkrijk van God (of: het rijk Gods) historisch gezien inderdaad het hoofdthema van Jezus’ prediking geweest is.” De komst van dat rijk, een rijk van menselijkheid, van rechtvaardigheid en vrede, is dan ook de grootste bezorgdheid en het juiste richtsnoer voor christenen en ... dit is een bij uitstek aardse, seculiere aangelegenheid. Immers, als wij bidden “laat uw wil gedaan worden op aarde zoals in de hemel” dan gaat het uitgerekend om het seculum, om deze wereld; de laatste woorden verwijzen immers niet naar een andere plek of een hiernamaals, maar geven slechts aan dat de wil van God hier moet gedaan worden, zoals hij ergens in de hoge hemel reeds volkomen gerealiseerd zou zijn, een opvatting die ten tijde van de evangelisten volkomen plausibel was.

Beweren dat seculiere criteria irrelevant zijn in godsdienstige aangelegenheden is dus nonsens. In plaats van achterop te hinken zou de kerk de vrouwenemancipatie, die toch een uitermate belangrijke hefboom is voor een betere wereld, en dus voor het rijk van God, volop moeten steunen, o.m. door al haar ambten, ook het hoogste, open te stellen voor vrouwen die de nodige inzet en competentie bezitten. Doch laten we nu even nagaan waarom vrouwen niet tot priester zouden kunnen gewijd worden. De argumenten hiervoor zijn, bij gebrek aan voor de hand liggende redenen, vrij ver gezocht: het zou allemaal om een centrale Bijbelse symboliek gaan.

Volgens Mulieris Dignitatem (1988) zou Jezus zich als man geïncarneerd hebben om de Bruidegom te zijn van Gods volk dat de bruid is en als alter Christus moet de priester ook een man zijn tegenover de gelovige gemeenschap, die de bruid is. Vermoedelijk zou Jezus van Nazaret het bij een dergelijke bewering hebben horen donderen in Keulen, dat weliswaar nog niet bestond, maar er is nog meer aan de hand: de werking van symbolen en metaforen wordt hier niet juist begrepen. Bij een vergelijking dient men steeds na te gaan waarop de vergelijking precies slaat. Zo gaat het bij een vergelijking met een nachtegaal over de zangkwaliteit en niet over het geslacht. Men kan, met Verschueren en Van Dale, dus rustig spreken over de Zweedse nachtegaal, Jenny Lind, ook al is Jenny Lind een vrouw en de prachtig zingende nachtegaal een mannetje en geen wijfje. Hetzelfde geldt voor bruidssymboliek, die overigens ook in de vrouwelijke vorm van een moeder verschijnt (Jesaja 49, 14-15). Het gaat om de verknochtheid en de trouw van God, resp. van Jezus aan zijn volk, niet om het geslacht en wij zien niet in waarom vrouwen deze ingesteldheid niet even goed zouden kunnen incorporeren als mannen.

Dat de argumentatie tegen de priesterwijding van vrouwen m.i. geen steek houdt impliceert nog niet dat men vrouwen tot priester zou moeten wijden. In dit opzicht ben ik het niet volkomen eens met het manifest, dat ik nochtans met overtuiging heb getekend. Het lijkt me beter dat men zich bezint over de aard zelf van het priesterschap, dat geen thema is in de evangelies, maar het product van een historische ontwikkeling. Moet het priesterschap of de pastorale bevoegdheid in een christelijke gemeente niet eerder het gevolg zijn van een bekwame toe-wijding, die men op een democratische manier kan (h)erkennen en bevestigen, dan van een wijding, die als sacrament, door de loutere toediening ervan, ex opere operato, de nodige genade en het nodige gezag zou verstrekken?

Men mag er dus aan twijfelen of Gielis en Van Looveren, en het leergezag dat zij verdedigen, de moderniteit en de secularisatie die daar deel van uitmaakt, goed hebben verteerd; er is eerder reden om te vrezen dat de kerk een soort grotere sekte wordt. Ik vermoed dat dit ook de vrees is van de meeste ondertekenaars van het manifest, maar kan natuurlijk slechts in eigen naam spreken. Het zou dan ook een mooie zaak zijn mochten de initiatiefnemers een forum scheppen, waarop de ondertekenaars elkaar zouden kunnen vinden en steunen. Men kan enkel toejuichen dat zij de petitie aan de bisschoppen hebben doorgespeeld, want dialoog verdient altijd de voorkeur, maar dat is niet voldoende. De ervaring van de laatste decennia, de ontstaansgeschiedenis van het rampzalige Humanae Vitae en de arbitraire benoemingen van bisschoppen en kardinalen b.v., bewijst immers dat luisterbereidheid niet de sterkste kant is van het instituut en dat waakzaamheid geboden is.

Frans Steyaert, lid van het PT van de Sint-Jozefparochie te Merksem

***

Een op de tien priesters ondertekent manifest

Een op de tien van de Vlaamse diocesane priesters, diakens, parochieassistenten en pastorale werk(st)er ondertekende het manifest Gelovigen nemen het woord. Bij de religieuzen ligt het percentage tien keer lager. De tekst kreeg in totaal 8.232 handtekeningen en de initiatiefnemers overhandigen die morgen aan de bisschoppen.

Boudewijn Vanpeteghem | De Werkgroep Kerkenwerk hoopt met haar manifest bij te dragen aan de realisatie van kerkelijke hervormingen die ze broodnodig acht. Toch is het zeer de vraag of hun verwachtingen kunnen worden ingelost. Zo valt het toelaten van gehuwde mannen en vrouwen tot het priesterambt niet onder de bevoegdheden van een lokale bisschoppenconferentie, maar is dat materie die de wereldkerk ter harte gaat. Bij uitbreiding geldt dat ook voor andere van hun verzuchtingen. Maar moeten de Belgische bisschoppen het manifest dan maar in de prullenmand kieperen? Velen ondertekenden het en wie erop staat, is ook niet onbelangrijk.

Weinig religieuzen
Naargelang de bron verschillen de cijfers, maar tussen de 230 à 300 diocesane priesters, 40 diakens, ongeveer 120 pastores en pastoraal werk(st)ers, zo’n 300 godsdienstleerkrachten en honderden uit de onderwijs- en universitaire wereld ondertekenden het manifest. Als je weet dat er nu in Vlaanderen in totaal 1.992 diocesane priesters, 374 diakens, 164 parochieassistenten en zo’n 310 pastorale werk(st)ers zijn, dan zette in die categorieën zeker tien procent zijn naam op de lijst. Bij de religieuzen ligt het percentage opvallend lager: amper één procent. Begin 2011 waren er in Vlaanderen zo’n 7.000 vrouwelijke en 2.100 mannelijke religieuzen en van hen duiken er een 70 op in de namenlijst.

Mondiger
Er leeft wat binnen de katholieke gemeenschap, zoveel is zeker. Niet alleen in Vlaanderen trouwens maar evengoed in Oostenrijk, Ierland, Duitsland waar gelijkaardige initiatieven lopen. Gelovigen worden mondiger en het internet maakt het hen gemakkelijk om zich achter een tekst te groeperen. Het wordt uitkijken wat de bisschoppen met het manifest doen. Ze zitten daarbij in de weinig benijdenswaardige positie om de tegengestelde meningen over welke richting de kerk uit moet, te verzoenen. Benieuwd naar hun reactie.

***

‘Moderniteit kan christelijke interpretatie niet toetsen’

Herhaaldelijk juichten recente bijdragen in Tertio de idee toe van het christendom als de godsdienst van de interpretatie. Die idee werd gelanceerd door filosoof André Cloots, die ze ontleent aan de Franse denker Marcel Gauchet (Tertio nr. 619). Herman De Dijn benadrukt evenwel dat interpretatie hoe dan ook een toetssteen veronderstelt en dat dit niet zomaar de moderniteit kan zijn.

In tegenstelling tot een godsdienst van de letter, bevat het christendom een boodschap die telkens weer en op verschillende niveaus – leergezag, groep, individu – moet worden geherinterpreteerd. Die interpretatie is mensenwerk, schreven verscheidene opiniemakers en niemand, geen enkele menselijke instantie, kan de waarheid claimen. Tegelijk moet het christendom zich aanpassen aan de verworvenheden van de moderniteit, bijvoorbeeld de wetenschap, de democratie, of nog de gelijkheid van man en vrouw (zie André Cloots in Tertio nr. 623). Dat geldt vooral als die moderne eisen gegroeid zijn vanuit de christelijke inspiratie. Het christendom is niet alleen een godsdienst van de interpretatie, maar ook van de incarnatie. Die incarnatie-idee, de idee van een spanning tussen verticaliteit en horizontaliteit, is zelf weer multipel interpreteerbaar, leidt dus zelf ook tot ‘pluraliteit’.

Leergezag nodig
Wat te denken van de opvatting van het christendom als godsdienst van de interpretatie en niet van de letter? Het is inderdaad opvallend en interessant dat er van meet af aan meerdere versies zijn van de Blijde Boodschap. Betekent dit, zoals Cloots lijkt te suggereren, dat de interpretaties ervan door de verschillende niveaus gelijkwaardig zijn? Dat is je reinste ‘protestantisme’. Dat leidt ertoe dat sommige katholieke theologen het christendom reduceren tot een versie van het jodendom zoals te vinden bij “de storende, maar boeiende profeet Jesjoea” (Tertio nr. 623). Eigenlijk is het katholicisme in hun ogen een grandioze en tegelijk verdraaide herinterpretatie van het jodendom. Precies echter omdat het christendom interpretatie vergt, is een leergezag nodig dat zich kan beroepen op een traditie waarin volgens katholieke gelovigen de heilige Geest werkzaam is. Het leergezag is niet zomaar een van de vele centra van interpretatie dat zich daarbij nog zou moeten onderwerpen aan een moderniteit waartegen geen verhaal mogelijk is. Cloots lijkt uiteindelijk zelf toch een soort leergezag nodig te vinden, maar dan als een instantie die in de onvermijdelijk pluralistische veelheid van interpretaties “de extremen eruit haalt”. Dat is geen leergezag meer, maar een pragmatische organisatie die zich plooit naar de modes van de tijd, een beetje zoals in de politiek tegenwoordig.

Kerkelijk-priesterlijk instituut
Wat Cloots niet vertelt, is dat de auteur waarop hij zich beroept, Marcel Gauchet, zelf in zijn La condition historique (2003) uitdrukkelijk de band legt tussen de noodzaak van interpretatie in het christendom en de creatie van een ‘kerkelijk-priesterlijk instituut’ dat de gelovigen voorhoudt hoe ze de christelijke boodschap in hun eigen binnenste dienen te verstaan. De band tussen priesterschap en celibaat als een zeer vroeg christelijk ideaal moet volgens Gauchet eveneens in die context begrepen worden. Ook bij een andere niet-gelovige, de bekende socioloog Anton Zijderveld, vinden we een gelijkaardige opvatting (Tertio nr. 624). Dit zijn geen oprispingen van traditionalisten, maar inzichten van geleerden die niet direct betrokken partij zijn.

Pluraliteit van interpretaties zou volgens Cloots ook ingebakken zitten in de incarnatie-idee. De incarnatie is zelf natuurlijk geen idee, maar een realiteit, een persoon van vlees en bloed. Het leergezag moet erop toezien dat ‘de interpretatie’ altijd heenwijst naar die unieke realiteit van de God-mens, Jezus Christus, en naar zijn incarnatie in de eucharistie.

Gelijkheid
In hun antwoord op Cloots’ oorspronkelijke bijdrage vragen de theologen Marcel Gielis en Frans Van Looveren (Tertio nr. 620) zich terecht af waar de moderniteit haar statuut van toetssteen voor het christendom vandaan haalt. Cloots’ reactie daarop is extreem en duidelijk: “Moderniteit betekent dat zelfs godsdiensten of goden zich moeten onderwerpen aan de menselijke criteria” – lees: moderne criteria zoals de principiële gelijkheid van man en vrouw, bijvoorbeeld. Waarom echter? Anders zou je tegen de redelijkheid zijn; en anders zou je zondigen tegen jezelf want de seculiere criteria zoals gelijkheid zijn gegroeid uit het christendom.

Wat Gielis en Van Looveren willen laten zien, is nu juist dat principiële gelijkheid in een redelijke interpretatie ervan juist wel verzoenbaar is met cultuurbepaalde, ‘symbolische’ verschillen zoals tussen man en vrouw. En dat die fundamentele symbolische verschillen goed aansluiten bij concreet Bijbels symboolgebruik. Ideeën, zelfs moderne ideeën, als gelijkheid of vrijheid, zijn óók multi-interpretabel. Ze leiden tot een ander verstaan bij fenomenologen en psychoanalytici zoals Antoon Vergote dan bij rationalisten als Etienne Vermeersch. Ten tweede is uit het christendom alles en nog wat voortgekomen, volgens sommigen zelfs het atheïsme. Dat kan toch geen reden zijn om dat te omarmen?

Selectief
Een tweede fundamenteel bezwaar tegen Cloots is zijn erg selectieve verstaan van moderniteit. Zoals gedegen studies steeds meer aantonen, bestaat ‘de’ moderniteit of ‘de’ verlichting niet. Dat is heel duidelijk op politiek gebied, waar zowel liberalisme en socialisme als conservatisme typisch moderne stromingen zijn. Dat is ook zo op moreel gebied. Er is een moderniteit die alle nadruk legt op het individu en de ratio, maar er zijn ook stromingen in de moderniteit die de nadruk leggen op een sociaal-cultureel bepaalde sensibiliteit als oorsprong en basis van de moraal. Een interpretatie van menselijke relaties als fundamenteel symbolisch – en bepaald door gemeenschappelijke sensibiliteit en attitudes – zoals bij Gielis en Van Looveren, is minstens even modern als die van Cloots. En mijns inziens minder betwistbaar.

Alles in dienst van individu
Cloots’ eigen interpretatie van moderniteit confronteert ons nu juist met een bepaalde tendens in de moderniteit die haar alles behalve geschikt maakt om als toetssteen voor het christendom te dienen. In de veeleer individualistische en rationalistische versie van moderniteit wordt effectief alles gereduceerd ofwel tot het individu als pure subjectiviteit, ofwel tot object of middel in dienst van dat individu. Dat betekent dat het geleefde (en symbolisch bepaalde) lichaam gereduceerd wordt tot een instrument van het ik; dat inderdaad alle tijden en plaatsen en de hele natuur gedesacraliseerd worden; dat wijsheid en redelijkheid moeten wijken voor rationaliteit en instrumentele attitude, enzovoort.

Is het verwonderlijk dat dan alle symbolische verschillen – tussen mens en dier, man en vrouw, kind en volwassene – ofwel genegeerd worden, ofwel gereduceerd tot puur biologische of psycho-fysiologische verschillen? Vandaar bijvoorbeeld de moeilijkheid voor een bepaald soort seculiere mentaliteit om ook maar iets te begrijpen van de betekenis van ritueel slachten (bij joden en islamieten), waar ook Cloots het blijkbaar moeilijk mee heeft. Verschillende denkers, vroeger en nu, hebben zich sterk afgezet tegen deze vorm van moderniteit of secularisme. Zij vonden en vinden dat een kritiek van de verlichting nodig is om de verlichting te redden.

Herman De Dijn is emeritus hoogleraar wijsbegeerte en voormalig vicedecaan van de KU Leuven.

***

‘Kerkcrisis is ten diepste religieus’

“Waarom voelen we ons in de kerk zo vlug door elkaar bedreigd?”, vraagt benedictijn Jean Geysens van de abdij van Chevetogne zich af. Hij vindt dat katholieken beter het familiehuis herbouwen in plaats van elkaar de schuld te geven van de afbraak van de woning. Voor hem is de kerkcrisis ten diepste religieus en mag ze niet louter kerkpolitiek worden benaderd.

Jean Geysens | Er zijn van bij het begin conflicten geweest in de christelijke kerk. In de Handelingen van de apostelen zie je hoe ze daar op een constructieve manier mee omgingen. Het is dus geen drama dat er tijdelijk sprake is van polarisatie als een onvermijdelijk conflict, in afwachting dat een dieper inzicht rijpt. Ik sla hier nu zowat de hele kerkgeschiedenis over om te belanden in onze tijd waar er in zowat alle christelijke kerken sprake is van een zekere polarisatie. Het samenspel van Schrift, Traditie en rede geeft niet steeds hetzelfde inzicht in de omgang met de nieuwe uitdagingen die op ons, christenen, afkomen. In de oecumenische beweging hebben we leren dialogeren, wat vooreerst inhoudt dat we naar elkaar luisteren. De polarisatie is een uitdaging om ook te komen tot theologische dialoog tussen de verschillende stromingen binnen elke kerk. Dit is bijzonder moeilijk omdat de spanning tussen de strekkingen vaak zeer emotioneel geladen is. Om te komen tot een mogelijke uitwisseling van gaven moeten we de karikaturen van de ander overstijgen in een zoeken naar de positieve waarde die wordt nagestreefd.

Tweede Vaticaans Concilie
Voormalig magister-generaal van de dominicanen Timothy Radcliffe probeerde dit in zijn boek Waar draait het om als je christen bent? (Kok/Averbode, 2007) – vooral in de hoofdstukken 9 en 10. In plaats van negatief geladen woorden te gebruiken als ‘conservatief’ of ‘progressief’ doet hij er het voorstel te spreken op een positieve manier. Zo heeft hij het over de “katholieken van het koninkrijk”, gesymboliseerd door het theologische tijdschrift Concilium en de “katholieken van de gemeenschap”, gesymboliseerd door het tijdschrift Communio. Belangrijk is het inzicht dat beiden teruggaan op het Tweede Vaticaans Concilie, zij het met andere interpretaties en accenten. Het brede publiek kent alleen voor- en tegenstanders van dit Concilie. Dat is te simpel. Je hebt ook meerdere soorten voorstanders. Ik probeer het op mijn manier te verwoorden. De koninkrijkkatholieken zijn vooral bezig met de uitdagingen van de tekenen van de tijd. De gemeenschapskatholieken zijn vooral bezig met de innerlijke geestelijke vernieuwing van de kerk. De eersten zien de opdracht van de kerk als volk Gods vooral in dienst van de wereld. De tweeden zijn bezorgd om de specifiek christelijke identiteit van de kerk en geloven in de waarde van de katholieke traditie. Leggen de eersten meer de nadruk op het “dicht bij de mensen staan” – hopende dat er ooit wel een vonkje van het christen-zijn zal overspringen –, dan leggen de tweeden meer nadruk op de uitdrukkelijke verkondiging van het Christusmysterie. In plaats van mekaar de schuld te geven van de afbraak van het familiehuis, zegt Radcliffe, zouden we beter het huis herbouwen. Waarom voelen we ons in de kerk zo vlug door elkaar bedreigd?

Dit is een poging tot verheldering van de crisissituatie, gekenmerkt door conflict en polarisatie, vanuit de sterke overtuiging van de aantrekkingskracht van de schoonheid van het christelijke geloof. Een onderwerp waarover heel verschillend wordt gedacht, is de vaak als evidentie geldende “evolutie van een volkskerk naar een keuzekerk”. De vraag is of een volkskerk op de duur nog een reële impact kan hebben op de cultuur – daarvoor kunnen we de term ‘cultuurkatholicisme’ gebruiken – als er geen sterke kern is van belijdende gelovigen die voldoende zijn geïnitieerd, niet enkel door de sacramenten die ze als kind hebben ontvangen maar door een volgehouden geloofsverdieping zodat ze gekomen zijn tot een bewuste persoonlijke keuze voor Christus en de christelijke geloofstraditie. Protestants theoloog Dietrich Bonhoeffer schreef voor de Tweede Wereldoorlog dat de belijdende kerk moet preken tot de volkskerk.

Socio-cultureel katholicisme
Het socio-culturele katholicisme – dat onze streken nog kenmerkt – kan niet overleven of herleven als er niet een belijdende kerk is die onverkort het Woord Gods verkondigt en probeert te leven in de lijn van de levende christelijke traditie. Anders droogt de bron op. De Russisch-orthodoxe kerk is opnieuw een volkskerk aan het worden – met een meerderheid gedoopten en een minderheid praktiserenden – omdat er juist een levende kern gelovigen is, met een gezonde leeftijdspyramide, die sterk meeleeft met de liturgie en zich graag verdiept in de geloofsleer en de spiritualiteit. Van daaruit komen de talrijke roepingen tot het priesterschap, het monastieke leven en de diaconale inzet. Niet dat ik de Russisch-orthodoxe kerk wil idealiseren. Wel vind ik dat dit stuk realiteit tot nadenken stemt. Een brede uitstraling komt vanuit een innerlijke kern. Dit veronderstelt een sterke religieuze identiteit.

Geloofsoverdracht
Vroeger gebeurde de geloofsoverdracht vooral door de osmose met een cultuurkatholiek milieu waarin mensen opgroeiden: de opvoeding thuis, de school, de jeugdbeweging en de verdere socio-culturele katholieke ‘zuil’. Maar we moeten vaststellen dat sedert de jaren ’70 het steeds moeilijker is geworden en er steeds minder wordt doorgegeven, niettegenstaande alle goede bedoelingen. Het zou een apart onderzoek vragen om uit te maken hoe het komt dat het bij ons in West-Europa en bijzonder in België, speciaal in het vroeger zo katholieke Vlaanderen, zo geëvolueerd is, terwijl er in andere contexten nog wel een tamelijk goede geloofsoverdracht door osmose met het katholieke cultuurmilieu gebeurt – zoals in de Verenigde Staten bijvoorbeeld. Hoe komt het dat bij ons de secularisatie dieper zit? Ze is nog dieper doorgedrongen in de nationale lutherse kerken in Scandinavië. In Zweden bijvoorbeeld heeft het ‘liberale’ kerkbeleid geen religieus reveil teweeggebracht.

Territoriale parochie
Willen we mensen in de christelijke katholieke spiritualiteit inwijden – daar waar sprake is van gelovig leven als antwoord op Gods heilsaanbod in Christus –, dan moeten er specifieke wegen voor worden gebaand. Dit valt niet zonder meer samen met de territoriale parochie. Het gaat erom zich te realiseren wat geloven in de Heel Andere, de Heilige die zich als de God en Vader van onze Heer Jezus Christus heeft geopenbaard, betekent voor de zingeving van ons leven.

Jean Geysens is benedictijn van de abdij van Chevetogne.

***

Gewijde ambt uit schemerzone halen

Meer dan ooit, betoogt Robrecht Michiels, is er nood aan een interpretatie en een beleving van het christelijke geloof in een geseculariseerde wereld en samenleving. Concreet pleit hij ervoor aan iedereen die een belangrijk pastoraal ambt vervult, ook het wijdingssacrament toe te dienen.

De kerk is niet het licht, zij ontvangt het licht van Christus. Zo betoogde paus Benedictus XVI in zijn nieuwjaarstoespraak. Met Kerstmis vierden we het feest van de menswording van deze Jezus Christus, de Zoon van God. Terecht legde André Cloots in Tertio nr. 619-620 er de nadruk op dat door deze menswording of incarnatie het christendom de godsdienst van de interpretatie is. De kerk is daardoor ook een interpretatiegemeenschap: zij volgt de weg waarlangs God tot ons komt, wordt daardoor de bondgenoot van mens en wereld, samenleving en cultuur en zal op dit spoor voortdurende structuurhervormingen doorvoeren. “De glorie van God is de levende mens en het leven van de mens is gericht op het zien van God”, zei Ireneüs van Lyon. Er is daarom meer dan ooit nood aan een interpretatie en een beleving van het christelijke geloof in een geseculariseerde wereld en samenleving. Die secularisering is een feit, een gegeven, waaraan je niet voorbij kan en waarin het geloof nu wortel moet schieten en gedijen. De intellectuele, culturele en theologische vorming en voortdurende bijscholing van de ambtsdragers is daarom meer dan ooit noodzakelijk.

Sacramentele scheiding
Ik denk dat zowel de traditionele priester als de pastoraal werkende nu in een ‘Grauzone’, een grijze zone of in goed Nederlands in een schemerzone terecht zijn gekomen, doordat de facto beider taak zich in de sfeer van het gewijde ambt situeert. Ik wil niet zover gaan als de grote twintigste-eeuwse theoloog Karl Rahner die kosters, catecheten, proffen in theologie, decanen van een theologische faculteit, enzovoort in het gewijde ambt wil onderbrengen, van hen dus ambtsdragers wil maken. Wel pleit ik voor de opheffing van de sacramentele scheiding tussen gewijd en pastoraal ambt. Of beter: het wijdingssacrament zal worden toegediend aan pastoraal verantwoordelijken, aan hen die een belangrijk pastoraal ambt uitoefenen. Het bekende manifest Gelovigen nemen het woord is goed op weg om die stap te doen. Het houdt een pleidooi in voor een evenwichtig, niet-concurrentieel maar complementair samenspel van diensten, bedieningen en ambten. Het wil een theologische plaats geven aan, nieuw gegroeide pastorale diensten zonder deze per definitie op te nemen in het wijdingssacrament. Daardoor ontwikkelt het impliciet een multipolaire visie op de kerkelijke erkenningsvormen voor de diensten in plaats van de klassieke bipolaire benadering gewijd of niet-gewijd.

Wijden
Het zou daarom kunnen dat een van de grote problemen in verband met het priesterambt nu ligt in de toelatingsvoorwaarden die de wijding onmogelijk maken van hen die de facto belangrijke pastorale taken verrichten, bijvoorbeeld vrouwen en gehuwden. Ik zou voor de toekomst durven te pleiten voor een consequent ‘wijden’ van allen die belangrijk pastoraal werk op zich nemen. Zou dit de identiteitscrisis van priester en pastoraal werkende, het feit dat priester en pastoraal werkende in een ‘Grauzone’ vertoeven, niet beter kunnen ondervangen? Ik heb in mijn leven steeds het devies gehuldigd: ‘Think globally, act locally, change personally’: denk wereldwijd, handel lokaal, verander persoonlijk. Alleen het plaatselijke handelen is reëel. De universele kerk is een abstractie. In het Nieuwe Testament slaat kerk trouwens praktisch altijd op lokale kerk en anders op de gemeenschap van God- en Christusgelovigen en niet op (universeel) kerkinstituut.

Zoals Europa
De functie van de paus is voor alles de plaatselijke kerken in voeling met elkaar te houden. We moeten ervoor zorgen dat de genoemde drie – denken, handelen en veranderen – niet uit elkaar groeien, echter niet dat ze samenvallen of met elkaar geïdentificeerd worden. Je kunt het vergelijken met het Europagevoelen: dat kan noch mag betekenen dat heel Europa altijd en overal hetzelfde denkt en doet.

Robrecht Michiels is emeritus hoogleraar van de faculteit Theologie en Religiewetenschappen van de KU Leuven.

***

‘Christendom is godsdienst van de interpretatie’

Fundamentele moderne inzichten, maar ook iets wezenlijks in de structuur van het christendom staan op het spel. De pluraliteit ligt ingebakken in de moderniteit net als in de incarnatie-idee. Die visie mist filosoof André Cloots in het debat over het manifest Gelovigen nemen het woord.

Een van de belangrijkste omwentelingen in de filosofie van de laatste eeuwen is ongetwijfeld de zogenaamde Copernicaanse Revolutie van Immanuel Kant. Het inzicht dat alle kennen ten diepste gestructureerd is door het bewustzijn. Dat geldt niet alleen voor ons kennen van de wereld of van de mens, maar ook van God.

Menselijke kennis
Kants revolutie staat centraal in de discussie die het manifest Gelovigen nemen het woord op gang bracht. Kant leerde ons dat in onze kennis het centrum niet ligt bij het object maar bij het subject. Wanneer we dat toepassen op de godsdienst leidt dat ook daar tot een Copernicaanse Revolutie: al ons kennen van God is menselijke kennis. Zoals de Nederlandse theoloog Harry Kuitert het vulgariserend uitdrukte: alle woorden van ‘boven’ zijn van ‘beneden’. Dat beïnvloedt ons verstaan van de Bijbel, van het statuut van de kerk en zoveel andere dingen – eigenlijk alles. De Bijbel is, in tegenstelling tot de Koran, niet het letterlijke woord van God; door God gedicteerd van bovenaf. Het ‘Woord van God’ is de Christus en de interpretatie van die Christus gebeurt door de vier evangelies, de theologie, de kerkvaders, de traditie, het kerkelijke leergezag en uiteindelijk het individuele hart van iedere gelovige. Interpretatie alom dus. Geen wonder dat vele belangrijke geloofswaarheden uit het Credo het resultaat zijn van lange en hevige discussies in de eerste eeuwen van het christendom, bijvoorbeeld rond de goddelijkheid en de menselijkheid van Jezus. Met veroordelingen allerhande en uiteindelijk de beslissing door een Concilie. De Franse filosoof, Marcel Gauchet, noemt daarom het christendom, in tegenstelling tot de islam, ‘de godsdienst van de interpretatie’, van ‘de indirecte transmissie’. Die interpretaties, dat leert ons de Copernicaanse Revolutie, zijn altijd mensenwerk – al zal de gelovige daar ook de Geest Gods in aan het werk zien.

Die ‘wending naar de mens’ is een van de basispijlers van de moderniteit. Een andere centrale pijler is de radicalisering van de gelijkheid: ‘liberté, égalité, fraternité’ (vrijheid, gelijkheid, broederlijkheid, nvdr). Gelijkheid op de eerste plaats van alle mensen. Er zijn geen ‘hogere’ en geen ‘lagere’ mensen, zoals vroeger de adel, de koning, de priester of de monnik. Het gaat ook om gelijkheid van godsdiensten, plaatsen, tijden, planeten enzovoort. In een middeleeuwse wereld is alles hiërarchisch geordend. Moderniteit betekent dat niets en niemand ‘uit zichzelf’ hoger is. Elke hiërarchie is een menselijk product.

Aardverschuiving
Er zijn nog heel wat andere aspecten van die verschuiving naar voren te brengen, maar alleen deze elementen betekenen al een aardverschuiving voor de godsdienst. Het al of niet aanvaarden ervan leidt naar twee wereldvisies en meteen naar twee kerkvisies en twee visies op religie. En zoals Carl Schmitt of Eric Voegelin al een eeuw geleden betoogden, ook twee visies op de incarnatie, het hart van het christendom. De spanning tussen de nadruk op God en de nadruk op de mens zit in de incarnatie ingebakken. Ze houdt ook de spanning in tussen verticaliteit en horizontaliteit, tussen de priester als vertegenwoordiger van God en als voorganger van de gemeenschap. Elke interpretatie van de incarnatie is een wankel evenwicht. Het is nooit ‘of/of’, maar altijd én/én’. Dat maakt trouwens de idee van incarnatie zo uniek. Maar de interpretatie ervan is niet zomaar gegeven. Elke accentverschuiving naar de ene of de andere kant maakt een wereld van verschil in ons denken over liturgie, over de plaats van de priester en de criteria van de wijding – waarnaar bisschop Johan Bonny verwijst in Tertio nr. 617 – en in zo veel andere dingen.

Paradigmawissel
Tussen die verschillende strekkingen is het water soms heel diep. Dan wordt het bijna wat de wetenschapsfilosofie een paradigmawissel noemt: een wissel in de basisvooronderstellingen waarop al ons spreken berust. Als die veranderen, gebruiken we nog wel dezelfde woorden, maar ze betekenen iets anders. We zitten in een andere ‘wereld’. En dat kan je niet zomaar theologisch oplossen, omdat je paradigma ook de theologie bepaalt die je naar voren schuift. Met andere woorden: het is altijd een menselijke constructie – wat er ook over wordt gezegd. Dat geldt ook voor het standpunt dat Marcel Gielis en Frans Van Looveren verdedigen in Naar sterke centrumkerken met minder priesters in Tertio nr. 617, zelfs wanneer ze, al dan niet terecht, naar ‘Rome’ menen te kunnen verwijzen. Het eigenlijke probleem is in de eerste plaats in welke mate we, Rome inbegrepen, de moderniteit al dan niet aanvaarden. Dat is niet alleen een probleem voor de islam, zoals we vaak zelfgenoegzaam suggereren. Het is evenzeer een probleem voor het christendom. Zowel in zijn protestantse versie – denken we maar aan de fundamentalistische christenen in de VS – als in zijn katholieke gedaante.

Uniformisering
De jongste decennia blijkt uit het onderzoek naar de moderniteit steeds sterker hoezeer die door het christendom zelf mogelijk is gemaakt, met haar nadruk op de mens, op de wereld hier en nu, op de autonomie van het denken, of met de scheiding tussen kerk en staat. Maar het is ook heel duidelijk hoezeer het christendom het blijvend lastig heeft met dat (klein-)kind. Net zoals het last heeft met een verscheidenheid aan interpretaties. In de protestantse tradities heb je juist daardoor de vele ‘denominaties’. Die verscheidenheid is inherent aan de idee zelf van incarnatie. En aan de moderniteit.

De neiging bestaat die verscheidenheid proberen te overwinnen door een hernieuwde uniformisering en zo ‘de spreidstand op te heffen’, zoals Emmanuel Van Lierde suggereert in Tertio nr. 617. Dat lijkt me gewoon niet mogelijk, maar vooral ook niet wenselijk. Die ‘spreidstand’ is niet hypocriet, maar behoort integendeel tot het hart van het christendom zelf, als godsdienst van de incarnatie en van de interpretatie. Dat een bepaalde interpretatie van het christendom daar last mee heeft, meer dan andere, heeft meer te maken met de moderniteit dan met wat nu precies de enig juiste interpretatie en beleving van het christendom is. In de moderniteit net als in de incarnatie-idee ligt alleszins de pluraliteit ingebakken. Ook in die zin is de moderniteit het niet altijd erkende kind van het christendom.

***

Abt Manu Van Hecke van de Sint-Sixtusabdij in Westvleteren

“Ik begrijp dat mensen in moeilijke pastorale situaties dergelijke uitwegen zoeken, maar zo’n document stilt mijn honger niet. Want de dieperliggende vragen worden niet beantwoord. Gaat het erom de service in stand te houden? Of gaat het erom met Christus te leven? Met de Russische priester Alexander Men geloof ik dat het christendom nog in zijn kinderschoenen staat. Ons spirituele avontuur is nog maar pas begonnen. De vraag naar onze verhouding met Christus moet centraal staan, niet de structuur van het instituut.”

***

Antwerps bisschop Johan Bonny

‘Ik versta de verzuchtingen van het manifest Gelovigen nemen het woord’

Dat mensen het signaal geven dat er iets moet gebeuren omdat het water hen aan de lippen staat, begrijpt Antwerps bisschop Johan Bonny. Hij kiest voor teams van een priester, een diaken, en enkele leken die gezamenlijk meerdere parochiegemeenschappen bedienen en ondersteunen.

Peter Vande Vyvere | West-Vlaming Johan Bonny (56) ontving drie jaar geleden de bisschopswijding en verhuisde van Rome, waar hij in de Pauselijke Raad voor de Eenheid werkte, naar Antwerpen. Op donderdag 8 december geeft de bisschop het startsein voor de viering van vijftig jaar heroprichting van het bisdom Antwerpen. Een goede gelegenheid voor een gesprek over de uitdagingen voor de kerk, over de advent en over de situatie van christenen in de Arabische wereld. Bisschop Bonny heeft de decoratie van de werkkamer van zijn voorganger zo goed als ongemoeid gelaten. Wel heeft hij een portret van paus Johannes XXIII toegevoegd. “Tenslotte toch de heroprichter van dit bisdom”, glimlacht hij. Maar er is meer: de bisschop deelt overduidelijk paus Johannes’ openheid op de wereld, in toon en inhoud. Hij ontwijkt geen enkele vraag, formuleert bedachtzaam en nuchter.

Voelt u zich na drie jaar thuis in Antwerpen?
“Jazeker. Ik heb me hier van meet af aan welkom gevoeld. De overgang van Rome naar Antwerpen, van studiewerk en oecumenische relaties naar het reilen en zeilen van een plaatselijke kerkgemeenschap, betekende natuurlijk een grote verandering. Maar hoe nodig coördinerende en overkoepelende structuren ook zijn, de kerk leeft vooral waar mensen concreet gemeenschap vormen, zoals in een bisdom. Ik heb dat in Antwerpen ook snel mogen ervaren. Er heerste een gunstige sfeer, met positieve verwachtingen tegenover de nieuwe bisschop en ik ontmoette veel mensen die graag bereid waren mee te werken.”

Na een jaar barstte de crisis van het seksueel misbruik uit het verleden los. En u werd woordvoerder in dat dossier. Hoe staat het daar eigenlijk mee?
“Samen met een team specialisten bereiden de bisschoppen een document voor met initiatieven en maatregelen voor de kerk in België. En we bestuderen het voorstel van de ‘Bijzondere commissie seksueel misbruik’ om mee te werken aan een arbitragesysteem voor slachtoffers. Na een periode van minder geslaagde communicatie beslisten we daarover pas naar buiten te komen als er een afgerond voorstel ligt. Ik wil me daar ook aan houden.”

U spreekt met warmte over uw bisdom. Nochtans zijn de uitdagingen legio: het bisdom Antwerpen kampte al vroeg met ontkerkelijking en priesterschaarste.
“We kennen het hele arsenaal uitdagingen waar de kerk in het Westen voor staat. Hoe bouw je aan levendige christelijke gemeenschappen in een cultuur die zeer seculier is en een toenemende religieuze diversiteit kent? Hoe bijvoorbeeld parochie vormen in een buurt waar meer moslims dan christenen wonen? En inderdaad, het priestertekort is bij ons zeer acuut. Ook in grotere provinciesteden wordt het almaar moeilijker priesters te benoemen die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd hebben.”

Hoe pakt u die situatie aan?
“We proberen de beschikbare krachten zo evenredig mogelijk te verdelen en ik heb Engelstalige priesters die in Leuven studeren, gevraagd tijdens het weekend een handje toe te steken. Ook heb ik religieuze congregaties verzocht of het mogelijk is in Antwerpen te blijven en eventueel zelfs een kleine internationale gemeenschap te beginnen. Alles is internationaal in deze stad en dus ook de pastoraal. Ten slotte wil ik de goede traditie van dit bisdom voortzetten op een oordeelkundige manier ook leken voor het pastorale werk in te zetten. Hoe dan ook zullen we almaar meer werken met een team van een priester, eventueel een diaken, en enkele leken die gezamenlijk een aantal parochiegemeenschappen bedienen en ondersteunen. Het komt eropaan in een pastorale eenheid van parochies de beste krachten te bundelen.”

Begrijpt u de kreet van de initiatiefnemers van het manifest Gelovigen nemen het woord met intussen meer dan 6.000 ondertekenaars? Ze vragen dat de kerk het voorgangerschap herbekijkt.
“Ik begrijp dat zeker. Priesters slaken voortdurend de verzuchting dat ze aan de limiet zitten van wat je aan inzet van een mens kunt vragen. Een hertekening van het parochielandschap kan alleszins niet inhouden dat er nog meer op de schouders van de priesters, diakens en leken terechtkomt die nu de pastoraal schragen. Met een handvol priesters meer los je het ook niet op. Daarom pleit ik voor het soort samenwerkingsverbanden waar ik het daarnet over had. Zo’n team moet trouwens ook niet overal alles doen, het coördineert ook mensen die in kleinere lokale gemeenschappen verantwoordelijkheid nemen.”

Ligt aan de basis van de wrevel niet een gewijzigde sociologische situatie: dorp en wijk vallen niet langer samen met de christelijke gemeenschap? En loslaten van het verleden doet pijn.
“In theorie klopt dat: we evolueerden van een volkskerk naar een keuzekerk. De belijdende, vierende en geëngageerde groep wordt kleiner en dat hoeft helemaal niet erg te zijn. Wellicht evolueren we naar een situatie die in Azië en Afrika de normale is: de christelijke gemeenschap als een van de groepen in de samenleving, met een vrij duidelijk eigen geloof van waaruit zij zich – niet polemisch, maar vanuit de eigen kwaliteit – in de samenleving engageert. Dat we moeten loslaten, is correct en dat kan zelfs gezond zijn.”

“Tot daar de theorie. In de praktijk verloopt het niet zo helder en zweef je als christelijke gemeenschap niet in het niets. In de praktijk zijn dorp of wijk en parochie vaak nog met tal van vezels met elkaar verbonden. Om te beginnen is er veelal een levendig christelijk middenveld met een katholieke school, een of meer jeugdbewegingen en verscheidene sociaalculturele organisaties, van KWB tot KVLV (kristelijke werknemersbeweging tot katholiek vormingswerk van landelijke vrouwen, nvdr). Bovendien is er rond ‘perifere’ kerken nog meer christelijk gemeenschapsleven dan we vermoeden. En als het gebed – op zondag, maar ook bij overgangsmomenten in het leven – een centrale plaats heeft in zo’n gemeenschap, dan valt het te begrijpen dat mensen zich niet zo makkelijk verplaatsen naar een verder gelegen centrumkerk. Zo’n gebedsruimte heeft iets van een ouderlijk huis. Elders gaan bidden, heeft veel weg van elders gaan eten. Dat gevoel is hardnekkig, ook al verkleint de kern van actief betrokkenen. Ik denk dat we twee uitersten moeten vermijden. Alles willen behouden zoals het is, kan niet langer omdat je niet meer overal alles kunt aanbieden wat nodig is om een christelijke gemeenschap te vormen. Tegelijk zou het jammer zijn, mochten mooie kerken waar nog enig gemeenschapsleven rond bestaat, op zondag niet meer voor het gebed openstaan. Al zal de vorm van dat gebed van situatie tot situatie verschillen.”

En dus niet langer overal een eucharistie?
“Ideaal is dat een groep van parochies één verzorgde eucharistie op zondag aanbiedt waarbij wordt samengewerkt om een mooie en levendige viering – met voorganger, koor en cantor, lectoren en misdienaars – te houden die ook jongeren en jonge gezinnen kan aanspreken. Welke hervormingsplannen ook worden uitgetekend, in het hart van een geloofsgemeenschap staat de eucharistie. In diezelfde pastorale eenheid kan eventueel met een beurtrol nog op een aantal andere plaatsen eucharistie worden gevierd. De vraag luidt wat er moet gebeuren in kerken waar op zondag geen regelmatige eucharistie meer plaatsvindt. Diverse antwoorden zijn mogelijk. In sommige kerken kan een woorddienst worden gehouden, al of niet met communiedienst. Bijvoorbeeld met mensen die zich moeilijk naar een afgelegen kerk kunnen verplaatsen.”

Als u die kleinere lokale gemeenschappen zo belangrijk vindt, kunt u niet doof blijven voor de roep om voorgangers. En dus voor de vraag naar een verruiming van de toelatingscriteria voor het ambt zoals de petitie vraagt.
“Voor de lekenbedieningen kunnen we zeker nog vooruitgang boeken. Ons bisdom heeft 46 federaties met elk een coördinator, die een priester, diaken of leek kan zijn. Parochies zonder residerende priester hebben een plaatselijke contactpersoon – man of vrouw, iemand met een verregaande coördinerende functie voor het parochiale leven ter plaatse. Parochieassistenten, pastorale werkers en werksters in de parochie, stel ik ter plaatse aan als een soort officiële mandatering tot medeverantwoordelijkheid voor een pastoraal geheel, samen met de priester en eventueel de diaken. We vormen volop gebedsleiders om voor te gaan in de uitvaartliturgie. Al die functies kunnen we nog verder uitbouwen zonder in ongeziene scenario’s terecht te komen.”

En de wijdingsvraag?
“Die rijst ook. De vraag naar de wijdingscriteria is legitiem. Met een aantal bisschoppen hebben we al vaker gezegd dat we het een verrijking zouden vinden voor het pastorale dienstwerk mochten we ook bij ons gehuwde mannen kunnen wijden. Niet zozeer om ‘gaten te stoppen’, maar omdat het een verrijking van het pastorale dienstwerk kan betekenen. Hoewel: een mirakeloplossing is dat niet. Ook het aantal Vlaamse generatiestudenten godsdienstwetenschappen in Leuven is zeer sterk gedaald en daar spelen celibaat en geslacht geen rol. Onze cultuur heeft het moeilijk met roeping en een levenslang engagement. Je leven op de kaart van het geloof zetten, in verbondenheid met Christus en de kerkgemeenschap is verre van evident.”

Hebben we het tegelijk niet moeilijk met de diepe betekenis van ‘wijding’ voor een christelijke gemeenschap? “We trekken ons dat niet meer aan”, klinkt het her en der.
“Dat is dan een reductie. Dat mensen het signaal geven dat er iets moet gebeuren omdat het water hen aan de lippen staat, begrijp ik. Maar als geloofsgemeenschap moet de kerk het uiteindelijk hebben van haar innerlijke kracht, van waar het haar om te doen is. En dat bereik je niet door te nivelleren. Met vaagheid en mist win je geen aantrekkingskracht. In het evangelie gaat het niet over aanpassing aan de haalbaarheid van het moment, maar om de kracht van waar je voor staat en waarvan je wilt getuigen. De frustratie van veel pastores wordt wellicht ook gevoed door de ervaring dat waar zij vol van zijn, zo moeilijk aanslaat. Dat maakt je draagkracht niet bepaald groter.”

Is toch de tijd niet stilaan rijp om het parochielandschap drastisch te hertekenen en nieuwe parochies te creëren? Zou dat niet voor een fris elan en perspectief zorgen?
“Als we voor een nieuw model kiezen, moet daar een draagvlak voor zijn, en de overtuiging en de bereidheid om de dingen anders aan te pakken. Bij het jubileum van ons bisdom nam ik het initiatief van een gespreksronde in alle federaties over zeven knooppunten die daar verband mee houden. Ik hoop dat dit proces het gezamenlijke verlangen en de kansen tot samenwerking aanscherpt. Als dat lukt, zullen mensen zich wel laten meenemen in een nieuw elan, denk ik.”

Wat betekent de advent voor u?
“De mooiste liturgische tijd van het jaar. Je hebt die schitterende Schriftlezingen uit Jesaja en andere teksten die het verlangen naar de komst van Christus voeden. Er staan prachtige figuren centraal: Johannes de Doper en Maria. En ook: de sfeer van het jaar met zijn donkere dagen die doen uitzien naar het licht, leent zich tot bezinning. Het feest van de menswording op Kerstmis is in zekere zin toegankelijker dan het feest van de verrijzenis op Pasen. Dat laatste feest is wel groter, maar al met Kerstmis kom je bij de kern van het christelijke geloof: dat God, in de persoon van Jezus, als mens naar ons toe is gekomen. Als je God wilt kennen, kijk dan naar Jezus, naar wat Hij gezegd en gedaan heeft. Ten slotte is advent ook een interessante tijd voor de zinzoekers. De drie wijzen – ze staan symbool voor de zin- en Godzoekers van alle tijden – moeten ongeveer een maand voor ze in Bethlehem aankwamen, vertrokken zijn uit het Tweestromenland. Met hen komen in de advent de zoekers van deze tijd in het vizier. Wellicht roept Kerstmis meer dan welk ander christelijk feest ook iets bij hen op.”

Hoe kijkt u vanuit uw verbondenheid met christenen in de Arabische wereld aan tegen de omwentelingen daar?
“Het is goed dat er beweging komt in verroeste regimes die niet democratisch waren, waar een kleine oligarchie de macht in handen had, gesteund door vaak ondoorzichtige geldstromen. Dat oude structuren moeten wijken voor een jonge dynamiek, is op zich positief. Maar er zijn risico’s aan verbonden: minderheden en met name religieuze minderheden voelen zich meer dan ooit bedreigd. De kans is reëel dat in Egypte en mogelijk ook in Syrië groepen en bewegingen aan de macht komen die de christelijke minderheid niet zullen ontzien. De voorbije jaren zijn vanuit Irak grote groepen christenen op de vlucht gegaan. Ik verneem van bisschoppen uit de Arabische wereld dat in hun gemeenschappen grote onzekerheid heerst en dat vooral de beter gevormde christenen versneld naar het buitenland trekken.”

Kunnen we vanuit het Westen iets doen?
“We kunnen er langs diplomatieke kanalen of mensenrechtenorganisaties mee over waken dat de minderheden worden beschermd. Vanuit de kerk kunnen we door directe contacten met christenen laten voelen dat we met hen meeleven. Ze hebben soms het gevoel dat westerse christenen meer aan petroleum en dollars – aan de westerse belangen – denken dan aan de verwantschap met broeders en zusters in het geloof. En ze hebben daarin niet altijd ongelijk.”

***

Theoloog Stijn Van den Bossche

In Vlaanderen circuleert sinds kort een manifest Gelovigen nemen het woord. Dat pleidooi voor kerkhervorming wil onder andere de crisis in de parochiepastoraal tegemoet treden met leken als herders en voorgangers, en met woord- en communievieringen. Stijn Van den Bossche denkt niet dat dit vandaag de goede oplossing is.

Het manifest blijft gelukkig voorzichtiger, maar daardoor ook vager van toon dan zijn Oostenrijkse evenknie. Het drukt de wens uit dat gevormde “medegelovigen” zouden mogen “voorgaan in zondagsvieringen”. Als dat betekent leken die voorgaan in de eucharistie – zoals in Oostenrijk wordt voorgesteld –, is dit naar katholiek en orthodox verstaan niet alleen verboden, maar resulteert het in een ongeldig sacrament – wij ontvangen er dus geen sacrament. Los van standpunten over de ambtscriteria is dat een bijzonder slecht voorstel met ernstige gevolgen, dat ik hier verder terzijde laat. Maar ik meen dat bij ons en voorlopig ook de reëel mogelijke variant, leken die op zondag voorgaan in woorddiensten met communie, een vergissing betekent, omdat een derde betrokkene naast voorganger en viering wordt veronachtzaamd: de gemeenschap.

Op weg naar geloof en kerk
Al enkele jaren tracht ik beroepshalve de overgang te begrijpen en te verduidelijken van een cultuur waarin wij als christen werden geboren, naar een cultuur waarin je christen wordt. Dat betekent dat het geloof niet langer vanzelfsprekend is, maar dat mensen zich “op weg kunnen begeven” (initiatie) naar en in het geloof. Het geloof is niet langer eigen en voorondersteld, je kan wel mensen ertoe uitnodigen en het aan hen voorstellen. Op viervoudige wijze kan je die overgang illustreren. Zo leren wij geleidelijk aanvaarden dat het geloof niet langer vanzelfsprekend groeit met de opvoeding die het kind van huis uit krijgt, maar dat mensen op elke leeftijd de weg naar het geloof kunnen opgaan. Wij aanvaarden ook dat catechese niet langer vanzelfsprekend behoort tot de moedertaal die wij ‘thuis’ spreken, maar dat zij vaak als een nieuwe taal is die je pas leert als je ‘elders’ komt. Wij aanvaarden ook dat de initiatiesacramenten – doopsel, eerste communie en vormsel – niet langer vanzelf thuishoren bij een bepaalde leeftijd – bij de geboorte, op 7 en 12 jaar –, maar etappes zijn op de weg van het ontluikende geloof. Rond geloofsgroei, catechese en sacramenten wordt de overgang dus beaamd.

Maar weerstand steekt telkens weer de kop op zodra de logische vierde stap wordt aangekaart: ook de kerkgemeenschap is in een cultuur waarin je christen wordt, niet langer ‘thuis’ in elk dorp of elke wijk. Je begeeft je als gelovige ‘naar’ de kerkgemeenschap. Als niet langer alle dorpelingen als gelovigen geboren zijn, dan is ook niet langer elk dorp meteen een kerkgemeenschap. Dan groeit de vraag naar de correcte verhouding tussen het aantal burgergemeenschappen en het benodigde aantal kerkgemeenschappen, want die twee vallen niet langer samen. We moeten ‘kerk-gemeenschap’ leren beleven vanuit ons ‘kerk vormen’, en niet langer vanuit de voorgegevene burgergemeenschap.

Samenkomst en zending
Als er minder priesters zijn en minder eucharistievieringen, zou je verwachten dat het aantal gelovigen per eucharistie toeneemt. Niets is minder waar! Doordat wij ons aantal samenkomsten niet aanpassen aan ons aantal gelovigen, maar vasthouden aan ‘een kerk per dorp of wijk’, wordt het aantal gelovigen per zondagsviering bij al het toenemende priestertekort tot op heden alsmaar kleiner. Het aantal gelovigen neemt veel sneller af dan het aantal vieringen en de overbevraagde priesters staan voor steeds legere kerken. Meer nog dan priesters, zijn het gelovigen die er te weinig zijn voor alle cultusplaatsen en alle aangeboden vieringen. Moeten we dan ook nog leken laten voorgaan in niet-eucharistische vieringen? Dienen we niet vooreerst de halflege vieringen af te bouwen en ons als gelovigen op weg te begeven naar een gezamenlijke eucharistie, waar de Heer ons tot zijn gemeenschap opbouwt? Dat betekent niet louter schaalvergroting, er kan ook een nieuwe interactie groeien tussen een grotere parochie – christenen gaan naar de kerk: centrumkerken, zondagsviering, kerkgemeenschap opbouwen – en de aanwezigheid ter plaatse van de kerk – de kerk begeeft zich naar de mensen: perifere kerkgebouwen, begrafenissen, huwelijken.

Aan die evolutie zijn voor- en nadelen verbonden. Het belangrijkste nadeel is de afstand van een kerk die niet langer aan huis komt. Maar afstanden kunnen worden overbrugd en in de ons omringende landen gebeurt dat al – een vervoerdienst is een vorm van diaconie. Het doorslaggevende voordeel is de herontdekking van een hechte gemeenschap van christenen, in meer gevulde kerken, waar we samen zingen, en jongeren andere jongeren ontmoeten. Er komt ook ademruimte voor wat je van een parochie mag verwachten: verzorgde liturgie, degelijke verkondiging en daadwerkelijke diaconale inzet. De situatie van kwijnende kleine parochies kan dan worden omgebogen in een dynamiek van oplevende grotere parochies.

Verdere toekomst
De criteria waaronder we dienen over te gaan tot woord- en communiediensten, laten zich lezen in spiegelbeeld met het voorgaande. Wanneer binnen een redelijk, dus niet te groot territorium alle beschikbare priesters in drie vieringen per weekend voorgaan – gewoonlijk niet meer, zo vraagt de kerk, opdat priesters authentiek en biddend kunnen voorgaan – en wanneer dan nog gelovigen overblijven die door afstand, tijdstip of volzette vieringen niet kunnen meevieren, dan is de woord- en communiedienst de aangewezen weg. Dan wordt hij een waarachtig geschenk voor de kerkgemeenschap. De tijd kan komen dat wij op dat geschenk aangewezen zijn, denken we maar aan de gemiddelde leeftijd van onze priesters. Maar in onze streken zijn die voorwaarden nu niet vervuld en is het tekort aan gelovigen in verhouding tot het aantal kerkgemeenschappen en zondagsvieringen veel groter dan het tekort aan voorgangers. Daarom noemt de Duitse theoloog Gisbert Greshake woord- en communievieringen in West-Europa vooralsnog een “vergiftigd geschenk”, dat dreigt een verouderde – het dorp is de kerk – en klerikale – de parochie is de voorganger en de viering – kijk op kerkgemeenschap voort te zetten.

***

Bekering geneest verzuring

“Al die hervormingsdebatten in de kerk klinken zuur omdat de naam
van Jezus er amper in voorkomt.” Dat vindt René Stockman, algemeen overste van de broeders van Liefde. Hij verwijst naar de evangelische oproep tot bekering die voor hem een remedie is tegen verzuring.

Jürgen Mettepenningen schrijft een boek over de kerk, met een voorwoord van Hans Küng, waarin hij zich afvraagt hoe het met de kerk voort moet. Een groepje priesters uit West-Vlaanderen stelt een hervormingsmemorandum op en verzamelt handtekeningen. De tekst volgt op een gelijkaardige actie in Oostenrijk en krijgt navolging in Frankrijk. De misbruikverhalen worden voort verteld en de kerk zoekt hoe daarop het juiste antwoord te geven. Vijftig jaar na het Tweede Vaticaans Concilie roepen sommigen om een nieuw Concilie, om het vorige eindelijk ten uitvoer te brengen.

Structuren
We kunnen het lijstje nog verlengen, maar het is nu al overduidelijk: er roert wat in de kerk. Of roert er iets in de maatschappij en heeft dat zijn weerslag op de kerk? Stuk voor stuk zijn het zure oprispingen, dat is zeker, en bij de meesten gaat het louter om een probleem met de structuren. De naam van Jezus wordt nog amper uitgesproken. Hij is de afwezige in al deze debatten. En dat is misschien de reden waarom het allemaal zo zuur klinkt. Moet er iets veranderen in de kerk? Misschien wel, en als we eerlijk zijn, moeten we bekennen dat er de jongste vijftig jaar, dus na het Concilie, al veel veranderd is. Sommigen zullen zeggen te veel, anderen zullen met eenzelfde overtuiging opperen dat het nog te weinig is. Maar misschien is de grootste verandering het feit dat bij velen het godsbesef is getaand; dat Jezus een fenomeen is geworden waarover nog gesproken kan worden, maar met wie niet meer wordt gesproken.

Het geloof heeft bij velen aan vurigheid ingeboet. De kerken werden koud en leeg. De liturgie is ontdaan van haar sacrale dimensie en de religie verwezen naar extreme momenten. Geloof is iets dat behulpzaam kan zijn als het om de zingeving gaat of wanneer een ethisch standpunt moet worden ingenomen. Dat laatste komt steeds meer in het gedrang, zeker als het gaat over begin en einde van het leven en over alles wat met de voortplanting te maken heeft. “Daar zou de kerk als instituut beter over zwijgen”, klinkt het dan.

Maar is religie niet meer dan zingeving en reduceren we ze niet tot iets louter utilitairs in de mate dat we ze nog uitsluitend als een ‘zingevingsmodel’ laten fungeren? Die reductie geeft God, Jezus en het geloof nog een plaats in het leven en in de maatschappij wanneer ze de mensheid behoeden zich te verliezen in haar passies, in haar ten top gedreven individualisme en in de wet van de jungle waar alleen nog het recht van de sterkste geldt. Religie wordt dan een ethisch systeem, een soelaas voor wie het existentieel moeilijk heeft, een vluchtheuvel om de realiteit van het harde maatschappelijke leven aan te kunnen.

Systeem
Wanneer de religie louter een systeem wordt naast andere systemen en instituties, en net zoals de andere structuren de proef van de efficiëntie moet ondergaan, zou het inderdaad wel kunnen gebeuren dat ze in aspecten als instituut zakt voor het examen en aan hervorming toe is. Sommigen denken de oplossing te hebben en nieuw leven in het systeem te kunnen steken door veeleer marginale structurele aanpassingen, zoals dikwijls verwoord in petities en boeken. Wijd de vrouwen en het priestertekort is opgelost; schaf het celibaat af en alle problemen rond de misbruiken behoren definitief tot het verleden; geef communie aan gescheiden mensen die hertrouwd zijn en de kerken lopen weer vol; laat de leken voorgaan – al weten we dan helemaal niet meer waarom we nog priesters zouden nodig hebben – en het probleem van de zondagvieringen is opgelost. En dat de kerkleiding zich niet meer inlaat met de huwelijksmoraal. Dat ze het wat ruimer neemt met de homohuwelijken en meegaat in de trend van het individualisme die het individu het recht geeft te kiezen voor zijn leven en zijn dood. Dat zou het aggiornamento zijn waarvoor Vaticanum II zo heeft gepleit.

Wat willen zij die deze visie aanhangen redden en wat zullen ze ermee redden? Dient een structuur die bij de tijd moet worden gebracht, aangepast te worden aan de tijd? Verliest ze daardoor niet haar recht soms noodzakelijk tegendraads in de maatschappij te staan wier waarden helemaal niet meer overeenkomen met de waarden die Jezus heeft verkondigd? En wat met de fundamenten van deze structuur, waarvan het instituut kerk slechts het gevolg is? De levende aanwezigheid van de Heer Jezus die de kerk heeft gesticht en die haar heeft gewild als een levende gemeenschap met een structuur als ondersteuning. Gaat het in eerste instantie daar niet over? Over de grote vraag hoe we bij de mensen opnieuw die verrukking van Gods aanwezigheid in de relatie met Jezus kunnen bijbrengen? De grote gevoeligheid voor het heilige, het sacrale, het transcendente? Ik gaf enige tijd geleden retraite aan een charismatische groep gezinnen die duidelijk ruimte creëerden in hun leven en in hun gezinsleven om te bidden, om zich te bezinnen, om open te staan voor de werking van de heilige Geest. Het was een verademing in deze tijd van verzuring zulke mensen te mogen ontmoeten. Ze bestaan dus nog zij die verrukt zijn om Gods aanwezigheid, die zich door God laten raken en zich door zijn liefde laten hervormen, tot Mens laten worden, naar zijn beeld en gelijkenis. Ook zij formuleren soms kritiek op de structuren, maar mild, zonder zuur te worden en vertrouwend op Gods Geest. Vooral opbouwende kritiek, trouw aan de kerkelijke hiërarchie, maar tegelijk met grote realiteitszin in het besef dat ook daar de kleinmenselijkheid aanwezig kan zijn. Zelfs binnen de hoogste kerkelijke kringen zijn de laagste menselijke trekken te vinden.

Liefdesbron
Waar is de kerk het meest mee gediend? Waar zijn de gelovigen het meest mee gediend? Met iedere actie die Jezus opnieuw aanwezig brengt als grote liefdesbron in de harten van mensen. Structuren komen duidelijk op de tweede plaats. Voor mensen die Jezus niet meer kennen, hoeven die structurele aanpassingen zelfs niet meer en is het louter tijdverlies om daar nog mee bezig te zijn. Ook dat is een stem die we meer dan eens moeten horen. Voor wie zich blind staart op het heil van het aanpassen van de structuren en voor wie dat allemaal onzin vindt, is het enige antwoord: Jezus. Over Hem gaat het en alleen over Hem. Over Hem gaat het wanneer we over de sacramenten spreken, over Hem gaat het wanneer we over de gewijde ambtsdragers spreken, over Hem gaat het wanneer we discussiëren over de zin of onzin van het celibaat, over Hem gaat het wanneer we over… de kerk spreken.

Leeg omhulsel
Zonder Hem spreken we over een leeg omhulsel en vrees ik dat we op korte tijd zullen moeten inzien dat het allemaal zinloos is. Dat het niet langer de moeite waard is. Met Hem wordt het leven anders, wordt de kerk anders, wordt de maatschappij anders, wordt onze kritiek anders en wordt vooral de structuur anders. En dan zullen we misschien beter begrijpen waarom het toch zinvol is om het celibaat te verdedigen, om de eucharistie te laten zijn wat ze is. En om de leek in de kerk niet als plaatsvervangende priester te zien maar ten volle als leek, gerust verwijzend wat Lumen Gentium (Conciliedocument over de kerk, nvdr) zo treffend verwoordde, maar blijkbaar bij velen nog niet is doorgedrongen. Daarvoor hoeven we echt geen nieuw Concilie te hebben, maar gewoon naar de bronnen terug te keren, naar de Conciliedocumenten die vijftig jaar geleden soms visionair scherp werden geschreven, en uiteindelijk naar het evangelie zelf, dat levend Woord dat ons blijft oproepen tot bekering. Ja, over bekering gaat het, steeds opnieuw over bekering als remedie tegen de verzuring.

***

Jan Maes, Kontich

De manier waarop Stijn Van Den Bossche met misprijzen spreekt over het actuele parochieleven als ‘verschrompeldende kerkgemeenschappen’ en over een woorddienst als ‘niet het origineel’, en de manier waarop hij pleit voor het samenbrengen van de (echte?) christenen vind ik niet evangelisch en ook niet katholiek. Het getuigt van een te asymmetrische visie op kerk en wereld, priester en leek, celibatair en gehuwde, eucharistie en woorddienst. Het maakt van de kerk als contrastgemeenschap van echte christenen tegen de boze wereld een self-fulfilling prophecy.

De sociologen Etienne Arcq en Caroline Sägesser stelden vorige maand nog in hun CRISP-studie Le fonctionnement de l’Eglise catholique dans un contexte de crise vast dat er binnen de katholieke gemeenschap twee tendensen zijn: gelovigen die de moderniteit en de secularisatie van de samenleving aanvaarden en anderen die de moderniteit resoluut verwerpen en hopen op een heropleving van de godsdienst in België dat ze als een missieland beschouwen.

De initiatiefnemers en duizenden ondertekenaars van het manifest Gelovigen nemen het woord behoren duidelijk tot de eerste groep, Van Den Bossche duidelijk tot de tweede. “Deze laatsten moeten vooral in conservatieve hoek worden gezocht, maar stellen numeriek niet veel voor. Hun invloed is nagenoeg onbestaande en ze zijn dan ook niet bij machte het tij te doen keren”, voorspellen Arcq en Sägesser.

***

Mark Heirman, Sint-Mariaburg

Theoloog en catecheet Stijn Van den Bossche maakt het wel heel bont als hij het nijpende tekort aan priesters en voorgangers afwimpelt met, of wegmoffelt achter ‘een nog veel groter tekort’: het tekort aan gelovigen. Vooreerst gaat het niet om gelovigen, maar om kerkgangers. Het is weinig waarschijnlijk dat het aantal gelovigen de voorbije decennia drastisch gedaald is, wel het aantal kerkgangers.

Ten tweede zijn priesters en voorgangers er voor alle gelovigen, niet alleen voor de kerkgangers, en bij uitbreiding voor de hele gemeenschap. De recente ‘niet-meer-kerkgangers’ meteen afschrijven, is geen erg christelijke houding.
Ten derde vraagt de auteur zich nauwelijks af hoe het komt dat er geen kerkgangers meer zijn. Je zou voor minder de andere kant opkijken. En ten vierde mag de kerk als instituut, waartoe Van den Bossche duidelijk behoort, zich wel eens afvragen hoe ze de voorbije decennia – op Europese schaal – tegelijk haar priesters/voorgangers én haar kerkgangers kon verliezen.

Een kwestie van geloofsduistere tijden? Een beschavingswissel? Of gewoon een kwestie van bestuurlijk onvermogen? Het kerkelijk en bestuurlijk onvermogen om zich in veranderende tijden even grondig te vernieuwen als de kerk dat in voorbije tijden wel deed. Geloofswaarheden geef je niet door, door erop te gaan zitten. En gelovigen vind je niet alleen waar je hen zou verwachten.

 

 

Geloofscrisis

Tertio heeft goed bericht over de petitie Gelovigen nemen het woord. Eerst kwamen de tegenstanders vooral aan het woord, nadien werd het evenwichtiger. Mijn pastoor hield mijn artikel erover in de plaatselijke katern van Kerk & Leven wel tegen. Niet alle priesters gingen dus stilzwijgend akkoord. In uw standpunt in Tertio nr 626 geeft u ook bedekte kritiek. De organisatoren zouden zich eigenlijk meer dienen te bekommeren om de geloofscrisis, om de kern van het christelijke geloof, dan om de kerkelijke organisatorische crisis.

Volgens mij doen ze dat ook, maar de ‘personeelscrisis’ binnen de kerk laat zich gemakkelijker in een petitietekst vatten dan een voorstel tot hertaling van de levenskrachtige inhoud van ons geloof. Dat is een proces van tientallen jaren en zou de bisschoppenconferentie niet eens bereiken. Maar de strakke structuur van de officiële kerk –“Wij bisschoppen kunnen niets veranderen, dat is een taak voor de wereldkerk” – versterkt door het verplichte celibaat voor priesters en door de weigering ook vrouwen te laten voorgaan, stoot de moderne wereld af. Een soepeler organisatie zal toelaten beter te getuigen over de kern van ons geloof. Nu al de voorwaarden scheppen waarin uw voorstel beter kan gedijen. Uiteraard niet een probleem van of-of maar van en-en. Organisatie en goede verkondiging, ze liggen in elkaars verlengde.

Jef d’Haenens, Zaventem

***

“Dilettantisme” versus” goede wil”

‘Als christenen zouden aanvaarden een minderheid te zijn, zou dat een nieuw elan geven. ’Abt Manu Van Hecke van de Sint-Sixtusabdij in Westvleteren had in Tertio nr. 619-620 bovenstaande uitspraak in petto. Hij zei tevens dat we nog al te lang leven vanuit een voorbije weelde. Ik denk dat heel veel kerkbetrokken mensen zich in deze uitspraak herkennen en ik denk ook dat velen dit, niet zo aangename gegeven, met vallen en opstaan proberen te aanvaarden en hiernaar werken en leven.

Alleen, als er dan de eerste communievoorbereiding aankomt, zitten daar in de parochiezaal bijna alle ouders van 7-jarige kinderen. Elk jaar stellen we de vraag aan de ouders om niet onmiddellijk hun kind in te schrijven maar even na te denken of ze het wel zinvol vinden om mee te doen. Elk jaar laten we met de hulp van foto’s zien waar ze aan meewerken. De grote structurele vragen – die de laatste weken in Tertio zo vaak aan bod komen - stellen velen van deze ouders zich niet. Ze zullen wel meningen hebben over al dan niet vrouwelijke priesters of over het celibaat of …, maar het is ver van hun bed. Deze ouders willen in onze kerk een plaats hebben, ze vinden de traditie (voorlopig) zinvol, zij willen dat hun kind zich goed voelt, zij vinden Jezus best wel Iemand die er mag zijn… en het kleedje hangt zeer vroeg te pronken in de kast.

Maar dan is het aan ons. Hoe presenteren we onze kerk? Waartoe nodigen we hen uit? En … hoe willen we dit doen vanuit een minderheidsgevoel, zonder struisvogelpolitiek, eerlijk … en toch ook liefst enthousiast. Heel vaak wordt door vele theologen verwezen om op alle terreinen Jezus terug meer centraal te zetten. René Stockman zegt zelfs (Tertio 618) : “Zonder Hem spreken we over een leeg omhulsel en vrees ik dat we op korte tijd zullen moeten inzien dat het allemaal zinloos is. Dat het niet langer de moeite waard is. Met Hem wordt het leven anders, wordt de kerk anders, wordt de maatschappij anders, wordt onze kritiek anders en wordt vooral de structuur anders. “

Jezus, nu in 2012, wat zou Hij zeggen, wat zou Hij doen? Ik denk dat Jezus -naar eerste communie toe- zijn armen zou open houden, de zoekende ouders welkom zou heten. Ik denk dat Hij dankbaar zou zijn dat ze mee aan Zijn tafel komen en … vrienden proberen te zijn van elkaar. Marcel Gielis en Frans van Looveren (Tertio 617) spreken over dilettantisme. “Het theologische en liturgische dilettantisme is dodelijk voor de kwaliteit van wat er in de kerken gebeurt. Ook als de actoren duidelijk blijk geven van goede bedoelingen.” Ik hoor hier een tegenstrijdigheid. “Goede bedoelingen” en “amateurisme en geknoei” of het zogenaamde dilettantisme, gaan voor mij niet volledig samen. Ik zou het de verklaring “geknoei” ook liever veranderen in “onmacht”.

Misschien zit hier in onze kerk het probleem. Er is zoveel goede wil aanwezig en men werkt maar verder –zowel van de gewijde als de lekenkant- vanuit die goede wil maar de kwaliteit kunnen we niet houden. Op termijn moet dit vastlopen. Het is al zo vaak gezegd: We moeten uitgaan van een minderheidskerk, Jezus moet centraal staan in woord en daad én betrokkenheid moet een sleutelwoord blijven. Roeien met de riemen die we hebben geloven in onze boot en … de boot proberen te laten drijven.

Beste theologen, kerkleiders …er is veel goede wil. Help ons met roeien, geef ons roeispanen en zorg dat de afstand die we moeten overbruggen niet onhaalbaar is. Hoe jullie dat doen is voor ons als gelovigen niet belangrijk. Aan polarisatie hebben we geen boodschap, wel aan haalbare oplossingen die de spanning in onze kerk doet omslaan in spannende zinvolle gelovige en liefst ook dienende momenten.

Patrick Switten, Godsdienstleerkracht Zonhoven

***

Bisschoppenconferentie krijgt manifest
Gelovigen nemen het woord overhandigd

Hoe zullen de bisschoppen reageren op het manifest Gelovigen nemen het woord en de lijst van meer dan 8.200 ondertekenaars? Een delegatie overhandigt hen die morgen, donderdag 9 februari, tijdens de maandelijkse bisschoppenconferentie.

Emmanuel Van Lierde | Petities, het lijkt wel een nieuwe trend in de Vlaamse kerk te zijn. Een eerste opgemerkte petitie was die ‘voor een geloofwaardige en bevrijdende kerk’. Eind 2010 ondertekenden 6.800 gelovigen dat signaal ter bemoediging in volle pedofiliecrisis. Meer recentelijk waren er petities ‘tegen de seculiere dictatuur’ met zo’n 3.000 handtekeningen, tegen de onttrekking aan de eredienst van de Brusselse Sint-Kathelijnekerk met ruim 6.100 ondertekenaars en op het manifest Gelovigen nemen het woord volgde de tegenactie Gelovigen aanvaarden het woord met een 200 ondertekenaars.

Becijferd
Het verschil is groot met het aantal dat het manifest Gelovigen nemen het woord onderschrijft. Maar liefst 8.232 mensen ondersteunden het initiatief van de Werkgroep Kerkenwerk. Een delegatie van hen trekt morgen naar de bisschoppenconferentie. Volgens hun persbericht van vorige maand ondertekenden uit Vlaanderen meer dan 300 priesters, meer dan 30 diakens, ongeveer 120 pastores en pastoraal werk(st)ers, ruim 100 religieuzen en honderden mensen uit de onderwijs- en universitaire wereld. Enkele verontwaardigden die het manifest ketters vonden, nagelden de ondertekenaars aan de schandpaal met hun website ‘De rooms-katholieke vliegenmeppers’. Hun opgedeelde categorieën bevatten 279 diocesane priesters, 70 religieuzen, 40 diakens en 321 godsdienstleerkrachten. Tertio poogde enkele categorieën na te tellen: 147 ondertekenaars voegen aan hun naam ‘priester’ toe van wie er slechts 21 aangeven op rust te zijn, 56 blijken pastoor te zijn, 22 pastoor op rust, 3 deken en 2 eredeken. In totaal levert dat 230 priesters op van wie er 45 gepensioneerd zijn. Daarnaast gaven 40 ondertekenaars op diaken te zijn en 281 godsdienstleerkracht.

Initiatief van priesters
Al schommelen die aantallen – wellicht tekenden er ook zonder hun functie op te geven –, ze zijn niet gering. In Vlaanderen zijn er nu in totaal 1.992 diocesane priesters, 374 diakens, 164 parochieassistenten en zo’n 310 pastorale werk(st)ers, wat betekent dat in die categorieën zeker een tiende het manifest ondertekende. Dat heel wat diocesane priesters dat deden, komt misschien omdat enkele priesters het initiatief namen, net zoals bij het ‘Pfarrer Initiative’ in Oostenrijk dat nu een internationaal vervolg krijgt. Het aantal religieuzen op de namenlijst ligt opvallend lager. Vlaanderen telde begin 2011 zo’n 7.000 vrouwelijke en 2.100 mannelijke religieuzen. Dat houdt in dat amper één procent van hen tekende. Sommige ordes en congregaties vind je niet of nauwelijks terug, terwijl andere zoals dominicanen of scheutisten kleur bekennen. “Er moet iets roeren in de kerk en dat moet van onderuit gebeuren. Daarom is het manifest een goed idee waar ik kan achterstaan”, reageert Frans Van Oudenhove, de rector van Scheut in Anderlecht. “Hoe goed onze bisschoppen ook hun best doen, ze moeten van Rome binnen de lijnen lopen. Het evangelie en alle bewegingen in de kerk groeiden van onderuit. Zo moet ook nu van onderuit iets opborrelen tot het in Rome wordt gehoord.”

Oprechte bezorgdheid
Gents parochieassistente Ria Van Overbeke treedt hem bij. “8.232 ondertekenaars, dat is een signaal dat kan tellen. Er moet naar de basis worden geluisterd. Dat is noodzakelijk als we straks nog een kerk in Europa willen hebben.” Mark Deweerdt wijst er namens de Werkgroep Kerkenwerk op dat er met dit manifest “een breed platform tot stand kwam van kerkbezorgde – zowel gewijde als niet-gewijde – gelovigen die de impasse waarin de kerk in Vlaanderen is terechtgekomen niet langer lijdelijk willen ondergaan en op hervormingen aandringen”. Het initiatief vertrok vanuit een oprechte bezorgdheid over de toekomst van de kerk in Vlaanderen. Het treft Deweerdt dat naast bekende gelovigen vooral veel mensen ondertekenden die “week in week uit aan ‘kerkwerk’ doen in hun parochie”. Daarom ziet hij het manifest als een “schreeuw uit het hart van veel geëngageerde gelovigen”. Hij waagt het de vraag te stellen: “Hoe zou het zonder hen met de kerk in Vlaanderen gesteld zijn?”

Vele charisma’s
“Zoals elke petitie is ook deze tekst ongenuanceerd en ik zou het anders formuleren, maar ik steun die noodkreet van het volk Gods, van gewijden en toegewijden. Al weet ik niet of het iets zal uithalen”, vertelt Jan Coppens, pastoor in Erpe-Mere. “Er bestaan geen mirakeloplossingen voor de crisis waarin we verkeren, maar er is veel meer mogelijk dan wat nu gebeurt. Vanuit het beleid wordt er te veel geaarzeld om een mandaat te geven aan bekwame en geëngageerde gelovigen. Daardoor gaat veel verloren van wat niet moet verloren gaan. Priesters raken overspannen door het vele werk en plaatselijke gemeenschappen worden losgelaten, maar als er levende gemeenschappen zijn en voldoende mensen die daarvoor willen instaan, waarom talmt het beleid dan om die te mandateren? Waarom moeten die gemeenschappen hun deur sluiten en naar centrumkerken trekken? In de vroege kerk werden mensen toch ook op hun charisma aangesproken en toen was er toch meer diversiteit in soorten ambtsdragers? Waarom zou dat nu niet kunnen?”, vraagt de Oost-Vlaamse priester. “Dit is een boodschap aan het kerkelijke beleid: vrees niet nieuwe wegen te bewandelen en erken de tekenen van de tijd. Godsliefde en mensenliefde zijn het doel, al de rest is middel.”

Grotere creativiteit
Ook wie het manifest niet tekende, herkent zich in die verzuchtingen. “Ik ben blij dat zoveel gelovigen bezorgd zijn over de kerk”, zegt zuster Carine Devogelaere van de annuntiaten in Heverlee. “Zelf deed ik dat niet omdat ik me niet helemaal in de boodschap herken, maar ik pleit ervoor dat bisschoppen, priesters en leken meer samen zouden overleggen over de structuur en de vormgeving van de plaatselijke geloofsgemeenschappen. Tegelijk verdedig ik een grotere creativiteit in ambten en bedieningen zolang de wijdingscriteria niet veranderd zijn. Onze gemeenschappen hebben herders, profeten en leraars nodig, of die nu tot priester gewijd zijn of niet.” Wim Vandewiele, algemeen zingevingscoördinator ACW, ziet vanuit zulke initiatieven een positieve dynamiek groeien. “Ik ben een voorstander van participatieve democratie, ook in de kerk. Dit initiatief speelt in op hoe mensen – vooral jongeren – vandaag inspraak wensen. Ik ben niet voor polemiek, maar vind het een meerwaarde uit te komen voor je mening. Dat gebeurde met dit manifest. Kijk naar de namenlijst. Het gaat duidelijk over toegewijde gelovigen die niet tegen de kerk zijn, maar uit bezorgdheid naar buiten komen en vragen naar overleg. Ik betreur daarom de reactie van ‘De rooms-katholieke vliegenmeppers’ die de ander verketteren in plaats van naastenliefde te beoefenen”, vindt Vandewiele.

Trouw aan Rome
Tertio zocht ook naar een reactie bij de ondertekenaars van de tegenactie Gelovigen aanvaarden het woord. De opgebelde paters wensten niet met naam en toenaam te reageren. Een van hen gaf als commentaar: “Als gelovige kan ik dit niet ondertekenen en ik veronderstel dat priesters, diakens, godsdienstleerkrachten, theologen en pastores die minstens 3 jaar daarvoor studeerden, weten waarom sommige zaken in de kerk niet kunnen. Als ze het niet weten, dan is het onze taak het hen – opnieuw – uit te leggen. Dat is het gepaste antwoord op dit manifest, dat trouwens aantoont hoe erg het gesteld is met de kerk en de priesters in Vlaanderen die al decennia lang een koers varen, los van Rome. Voor mij is dit manifest een radicale aanval op het Tweede Vaticaans Concilie dat de kerk ziet in eenheid met de paus van Rome. We verkeren in een crisis omdat de priesters zelf niet meer trouw zijn aan Rome en het Concilie. De uitweg uit de crisis ligt daarom in meer trouw aan de kerk.”

***

Trouw aan het evangelie

Ignace D’Hert, Marc Van Tente en Eddy Van Waelderen waren bij de eerste theologen die het manifest Gelovigen nemen het woord ondertekenden. Ware orthodoxie is voor hen trouw blijven zoeken naar de steeds nieuwe zin die vanuit het Jezusgebeuren oplicht in de wisselende omstandig-heden van het leven.

Het einde van 2011 bracht ook in kerkelijke kringen nogal wat commotie teweeg. Onder andere over de petitie Gelovigen nemen het woord. Door de enen als te braaf, niet vergaand genoeg en door anderen als ketters en schismatiek ervaren. Eigenlijk ging het slechts om een signaal, een oproep om samen te zoeken hoe onze kerk ook vandaag het ‘goede nieuws’ van en over Jezus geloofwaardig zou kunnen uitdragen. Christenen hebben daar verschillende meningen over. Ieder van hen heeft iets waardevols ‘gezien’ en wil dit bewaren en zo nodig verdedigen. Zo was het ook in de vroegste kerk van de eerste eeuw. De eerste christengeneraties hebben de ervaringen van Jezus’ leerlingen op verschillende wijzen geïnterpreteerd.

Verhalen
Rabbi Jesjoea uit Nazaret verkondigde ‘goed nieuws’ in de dorpen van Galilea: “Het rijk van God is nabij: kom tot inkeer!” (Marcus 1,15). Het ging Hem om een vernieuwende interpretatie van de Thora, het handvest van de spiritualiteit van Israël. Tegen de wettische interpretatie van een aantal schriftgeleerden in, wilde Jezus terug naar de oorspronkelijke bedoeling van de Thora als levensweg: niet oordelen noch veroordelen, maar redden, eerbiedigen, ruimte geven, oprichten. Hij had geen nieuwe sekte, laat staan een nieuwe religie op het oog, maar een beweging die het bestaande Israël opriep tot ‘ommekeer’.

Na zijn dood en na de verrijzeniservaring van sommige leerlingen werden herinneringen aan Jezus’ woorden en handelingen verteld en geduid in verzamelingen van woorden en in verhalen. Joodse theologie werd van oudsher in verhalen gedacht en doorgegeven. Een aantal van die verhalen vinden we in de evangeliën terug. Elk evangelie bood een eigen interpretatie en hertaling van die verhalen, telkens bedoeld voor een bepaald publiek en een specifieke context.

Vertellen aan heidenen
Vanaf het einde van de eerste eeuw werden deze ‘joodse’ verhalen over de joodse profeet Jesjoea steeds meer aan ‘heidenen’ verteld die geen weet hadden van de denkwijze en de spiritualiteit van Israël. Het Romeinse rijk had veel overgenomen van de Griekse cultuur en filosofie. Daar lag dan ook het probleem. De joodse verkondigers van Jezus’ boodschap dachten in termen van leven, bewegen, groeien, evolueren, worden. Een God die de ellende van zijn volk hoort en ziet, die afdaalt en mee de geschiedenis intrekt. In naam van die God treedt de profeet Jesjoea op. Hij troost, neemt angst weg, doet opstaan in waardigheid.

Inbraak in de geschiedenis
Daar tegenover dacht de toen overwegend platoonse filosofie in statische en dualistische termen. De goddelijke wereld boven, de aarde en de mensen beneden. Alleen door een goddelijke ‘inbraak’ in de geschiedenis kon heil, kon waarheid aan de mensen worden geschonken. In de christelijke context werd deze waarheid als goddelijke en dus onaanvechtbare openbaring voorgesteld. De geloofsverkondigers hadden echter geen keuze: voor de nu overwegend niet-joodse toehoorders moesten ze het ‘goede nieuws’ herdenken in termen, niet langer van worden en evolueren, maar van zijn.

Zoon van God
Het werd een magistrale ‘inculturatie’ die de evangelische boodschap voor de mensen van de late Oudheid, de middeleeuwen en tot vandaag wilde doorgeven. De prijs was hoog. Trouw aan de levensweg van Jezus werd steeds meer als trouw aan de onveranderlijke leer van de kerk verstaan. Zoekende en weifelende overgave aan de onvoorwaardelijke liefde van de Abba van Jesjoea werd vertaald in termen van belijden van de ware leer, de ‘orthodoxie’, en van onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan het kerkelijke leergezag. De storende maar boeiende profeet Jesjoea, deze ‘zoon van God’ die op een unieke wijze Gods eindeloze liefde beleefd en verkondigd had, werd nu in statische filosofische termen herdacht.

Totaal vreemd
De Concilies van de vierde en vijfde eeuw definieerden hem als de Zoon van God, waarachtig mens en waarachtig God. In die tijd een magistrale en gedurfde onderneming, die echter vandaag totaal vreemd overkomt in een cultuur die vanuit alle wetenschappen én de ervaring dynamisch denkt. Waarheid ‘is’ nooit, maar wordt altijd gezocht en nu en dan, gedeeltelijk en voorlopig, gevonden. Ware orthodoxie is trouw, niet aan een voor altijd vastgelegde leer, maar aan een moedig blijven zoeken naar de steeds nieuwe zin die vanuit het Jezusgebeuren oplicht in de wisselende omstandigheden van het leven.

In de officiële kerkelijke leer wordt bovendien beleden dat Jezus de kerk bewust zou hebben gesticht en de Twaalf als de inzet van haar hiërarchie zou hebben gewild. Als een goddelijke act, gezien zijn goddelijke natuur. De kerk wordt dan een goddelijke instelling met een goddelijke structuur. Vanuit een statisch godsbeeld wordt de zoekende beweging in navolging van Jesjoea zo een onaantastbaar instituut. Twintig eeuwen kerkgeschiedenis illustreren hoe dit instituut, vooral sinds Constantijn in de vierde eeuw, steeds meer een machtsinstituut geworden is dat ervan overtuigd is dat het de geloofsbeleving van de christenen moet bepalen.

Veel pastorale problemen hebben dan ook een diepere theologische oorzaak. Zo ook de problemen die in de bewuste petitie aangekaart worden. Zowel de officiële kerk als veel andersdenkende, zoekende gelovigen willen trouw blijven aan het evangelie. De ene gaat uit van de ‘vaste’ kerkelijke leer en dogmatiek: aan wat ‘de jure divino’ door Jezus is ingesteld kan niet worden getornd. De andere wil terug naar de inspiratie van de joodse Jesjoea die de Bijbelse God van onvoorwaardelijke liefde aan de hele mensheid schonk: Hem volgen vraagt vandaag, in een zo andere tijd, een grondig nieuwe hertaling van zijn ‘goed nieuws’. Zoals hoogleraar André Cloots het in Tertio nr. 619-620 uitdrukt: ook het christendom is in wezen altijd een zaak van interpretatie en dus ook van pluraliteit.

Verdeeldheid vermijden
Het is niet eenvoudig met die verschillen op een nuchtere én evangelische manier om te gaan. Pluraliteit wordt vlug verdeeldheid. Die maakt het moeilijk in onze chaotische wereld het visioen van een andere, menselijke en vredevolle toekomst voor te houden en te beleven. “Is Christus dan verdeeld?”, vroeg Paulus al aan de verscheurde gemeente van Korinthe (1 Korinthiërs 1,13).

Allen zouden we de moed moeten opbrengen met elkaar over deze fundamenteel verschillende visies te dialogeren. Met een open geest en zonder angst voor wederzijdse bevraging. We hebben toch niets te verdedigen? Het evangelie is niemands eigendom. Is Jesjoea niet, alleszins voor christenen, het grootste geschenk van Godswege op onze levensweg? Wij geloven toch dat de heilige Geest in ieder mens leeft en naar waarheid zoekt? Zeker ook in een tijd van brandende wereldproblemen die het leven van de aarde en van de hele mensheid bedreigen.

Ignace D’Hert is dominicaan en docent theologie aan het Hoger Instituut voor Godsdienstwetenschappen in Antwerpen. Marc Van Tente is oblaat en was docent theologie aan het Centrum voor Kerkelijke Studies in Leuven en het Hoger Instituut voor Godsdienstwetenschappen in Ganshoren. Eddy Van Waelderen is priester van het bisdom Antwerpen en was als theoloog jarenlang werkzaam op het Theologisch en Pastoraal Centrum in Antwerpen.

***

Küng en Lefebvre zijn vijandige tweelingbroers

De theologen Marcel Gielis en Frans Van Looveren lezen katholieke integristen en modernisten de les. Getrouwde mannen als priester en vrouwelijke diakens kunnen voor hen wel. Vrouwen als priester vinden ze een brug te ver.

André Cloots heeft gelijk wanneer hij stelt dat het christendom de godsdienst van de interpretatie is (Tertio nr. 691). We zouden zelfs verder willen gaan dan Kant en met Nietzsche stellen dat alles – ons artikel evenzeer als dat van Cloots – interpretatie is. Deze laatste schijnt er echter van uit te gaan dat in de moderniteit een paradigma geldt dat iedereen moet aanvaarden, want volgens hem hebben wij in ons denken over het manifest Gelovigen nemen het woord de moderniteit niet aanvaard. Maar wie heeft er gedecreteerd dat die moderniteit en dan nog Cloots’ interpretatie ervan voetstoots aanvaard moet worden? De moderniteit is, ook puur filosofisch, geen alfa en omega. Dat leren althans filosofen zoals Heidegger, Foucault, Lacan, Lyotard, Vattimo en anderen die zich beschouwen als postmodern.

Spiegelbeeld
Wat Cloots ook mag denken, voor ons zijn geloofswaarheden allerminst boventijdelijke eeuwige waarheden die uit de hemel zijn neergedaald, maar wel interpretaties die tot stand komen door een complex samenspel van Schrift, Traditie, gelovigen, ‘tekenen des tijds’, theologische studie en kerkelijk leergezag. Elk fundamentalisme en elk integrisme zijn uit den boze. De pretentie van de moderniteit om van het subject de grond van alles te maken, is niet evident. Uiteindelijk is het hedendaagse subjectivisme een nieuwe metafysica. Getransponeerd naar de theologie betekent dit dat integrisme en modernisme elkaars spiegelbeeld zijn. In zijn verhouding tot Vaticanum II is het modernisme in wezen even anticonciliair als het integrisme, zij het op
diametraal tegenovergestelde wijze. Hans Küng en aartsbisschop Marcel Lefebvre kunnen worden beschouwd als vijandige tweelingbroers.

We moeten in onze cultuur en in de kerk in het bijzonder een uitweg vinden uit de impasse, waarin de strijd tussen modernisme (‘progressieven’) en integrisme (‘conservatieven’) ons gebracht heeft. Deze tweedeling is artificieel en zelfs tiranniek, zoals blijkt uit de poging van Cloots om ons onder te brengen bij de antimodernisten, terwijl wij misschien de moderniteit beter verwerkt hebben dan hijzelf. Modernisme en integrisme torpederen steeds weer een vruchtbare dialoog binnen de kerk en tussen kerk en wereld nog voor hij kan beginnen. Ook het manifest met zijn theologische angels is een doodgeboren kind, al heeft het dan meer dan achtduizend handtekeningen, ook van mensen met naam en faam in Vlaanderen.

Grenzen
Bij alle erkenning van moderniteit en zelfs zogenaamde postmoderniteit, moet het mogelijk blijven om binnenkerkelijke criteria te stellen waaraan de theologische interpretaties moeten voldoen. Al is er tot op bepaalde hoogte verscheidenheid in interpretatie mogelijk en in werkelijkheid ook aanwezig, toch zijn daar grenzen aan zonder dewelke de kerkgemeenschap uiteen zou vallen. In de theologische discussie speelt het leergezag en uiteindelijk ‘Rome’ – de apostolische stoel – de rol van rechter. Het kerkelijke gezag oordeelt over de richting die de interpretaties moeten uitgaan. Daarbij handelt het niet willekeurig; ook de paus en de bisschoppen zijn gebonden aan Schrift en Traditie. Menselijke woorden en interpretaties, maar waarin voor gelovigen de Geest spreekt en werkt. Die werking van de Geest is ook toegezegd bij de richtinggevende interpretaties door het leergezag dat finaal beoordeelt wat er in de kerken en ook in de theologische faculteiten leeft. En beslissingen van het leergezag kunnen ingaan tegen het hedendaagse aanvoelen of tegen de ‘moderniteit’. Die kan niet als verplichtende norm worden opgelegd. Het moet mogelijk blijven om daar kritiek op uit te oefenen vanuit Gods Woord in Schrift en Traditie.

Priesterwijding
Neem nu de vraag naar de wijding van vrouwen tot priester. Richtinggevend in dit verband is dat de incarnatie van het Woord Gods impliceert dat – zoals Johannes Paulus II in Mulieris Dignitatem (1988) uitlegt – het geslacht van Jezus een rol speelt: Hij heeft zich geïncarneerd als man om de Bruidegom te zijn van Gods volk dat de bruid is (zie onder meer Johannes 3,28-29). En in de lijn daarvan is de priester, volgens de interpretatiegemeenschap die de kerk is, geroepen om in zijn verhouding tegenover Christus’ gemeente door zijn eigen lichamelijkheid de Bruidegom te symboliseren. De symboliek van het huwelijk tussen God en zijn volk staat niet alleen centraal in de Bijbel (bijvoorbeeld in Hosea, Jesaja 54, Hooglied, Mattheus 25). Mystici, musici en kunstenaars hebben haar talloze keren door heel de kerkgeschiedenis heen betuigd: de Geestelike Brulocht van Ruusbroec, de bruidsmystiek in vele Bachcantaten zoals Wachet auf, ruft uns die Stimme, allerhande kerkliederen van Willem Barnard en Huub Oosterhuis waarin God zijn volk tot zijn bruid maakt, schilderijen waarop de kerk ontstaat uit de zijdewond van Christus, net zoals Eva geschapen werd uit de rib van Adam, enzovoort.

Blijkbaar hechten de ondertekenaars van het manifest weinig belang aan die Bijbelschristelijke symboliek. In alle geval: wie haar niet kan of wil verstaan of er achteloos aan voorbijgaat, loopt het risico haar op een bepaald ogenblik voorgeschoteld te krijgen als een dogma of een katholieke waarheid, zoals gebeurd is in Ordinatio Sacerdotalis in 1994. Een priesterwijding voor vrouwen druist in tegen deze centrale Bijbelse symboliek en kan daarom niet in de katholieke kerk. Seculiere criteria zoals de gelijkheid van man en vrouw zijn hier irrelevant.

Diaconaat
Toch is er in principe wel ruimte voor een vrouwelijk diaconaat. Er zijn daar bijzonder weinig sporen van te vinden in de Bijbel en in de kerkelijke traditie, maar er zijn ook geen contra-indicaties. Er is dus een evolutie mogelijk en wij pleiten ervoor om dat diaconaat in het leven te roepen. Benedictus XVI heeft zelf een belangrijk theologisch obstakel daarvoor uit de weg geruimd toen hij op 26 oktober 2009 ‘motu proprio’ in het kerkelijk wetboek de bepaling liet opnemen dat bisschoppen en priesters, maar niet diakens handelen ‘in persona Christi’, dus Christus als hoofd en bruidegom van de kerk uitbeelden en tegenwoordig stellen. Het zou verstandig zijn een vrouwelijk diaconaat te bepleiten samen met invloedrijke bisschoppen en kardinalen zoals Godfried Danneels, Christoph Schönborn en Yves Congar, een theologische reus. Langs het diaconaat is het mogelijk om het vrouwelijke element in het kerkelijk ambt – de hiërarchie – in te brengen, tot voordeel van de kerk zelf.

Celibaat
De verplichte koppeling tussen priesterschap en celibaat is tot op zeker hoogte geen onaantastbaar gegeven, maar wel een aangelegenheid van kerkordening die, indien gewenst, kan worden gewijzigd door de oosterse discipline in de westerse kerk in te voeren (de orthodoxe kerk verbiedt priesters niet te trouwen, nvdr) . En er zijn nogal wat argumenten om dat te doen, zoals bijvoorbeeld duidelijk wordt in het rapport van de commissie-Deetman in Nederland over het seksueel misbruik in de kerk.

Tegen de integristen zeggen we dus dat een evolutie inzake het ambt wel degelijk mogelijk is. Tegen de modernisten daarentegen stellen we dat niet gelijk welke hervorming kan. We moeten ze beoordelen op basis van criteria die uitstijgen boven de subjectieve verlangens van gelovigen en ambtsdragers, en zelfs van de paus. De enige mogelijkheid bestaat er dus in hervormingen door te voeren met als criteria Schrift en Traditie, die het kerkelijk leergezag op normatieve wijze interpreteert voor de gelovigen en ook voor de katholieke theologen, al is dat moeilijk te aanvaarden in een cultuur die de vader heeft vermoord. Maar het is de enige uitweg uit de verstening van het christendom bij de integristen en de verdamping ervan bij de modernisten.

***

Discussie over manifest lijdt onder dode hoek

Diaken Maurice Temmerman mist in de polemiek over het manifest Gelovigen nemen het woord een centraal inzicht: de vernederde ander is de eerste eucharistie. Wat bedoelt de auteur daarmee? Mag ook die vernederde ander meespelen in de parochiehervorming?

In de polemiek over het manifest Gelovigen nemen het woord gaat het telkens over de toekomst van de kerk. Die toekomst zou al of niet afhankelijk zijn van het niet of wel toelaten van leken in het voorgaan van de zondagsvieringen, het niet of wel toelaten van gehuwde mannen en vrouwen tot het priesterambt, en het wel of niet toelaten van hertrouwde gescheiden gelovigen tot het ontvangen van de communie. Interessant, maar ik kan me niet van de indruk ontdoen dat de discussie lijdt onder een dode hoek. En zo iets veroorzaakt veel ongelukken. Ook hier.

Superparochie
Klopt het wel dat de essentie van het christendom erin bestaat dat de sacramenten, en bij uitstek de eucharistie, te allen tijde kunnen worden beleefd als de rituele uitdrukking van wat Jezus voor ons heeft gedaan? Ja, maar. Ja, de kerk is sacrament, dat wil zeggen: het teken en instrument van de innige vereniging met God en van de eenheid van heel het mensengeslacht. Maar dan moet in de kerk het Woord worden verkondigd, gevierd én beleefd in de onvoorwaardelijke en onbaatzuchtige liefde, de diaconie of de caritas. En hier bevindt zich de blinde vlek in de discussie over het manifest. Het vieren krijgt de centrale aandacht, de verkondiging en vooral de diaconie – de onvoorwaardelijke en onbaatzuchtige liefde – zitten op de zijbanken. Ik lees nauwelijks iets over de navolging van Jezus die al weldoende rondging.

Nochtans heeft de navolging van Jezus die al weldoende rondging, alles te maken met de discussie. Want het is inderdaad wel mogelijk in een dekenaat met zestien parochies, verspreid over een gebied met een doorsnede van zestien kilometer, op zondag slechts één eucharistie te vieren in een centrumkerk. Maar je kunt vanuit zo’n superparochie onmogelijk doen wat het Conciliedocument Gaudium et Spes vraagt, het delen van “de vreugde en de hoop, het verdriet en de angst van de mensen van vandaag, vooral van de armen en van hen die, hoe ook, te lijden hebben”. Het leven van de mensen, ook van de gelovigen, wordt, met vallen en opstaan, geleefd in huwelijk en gezin, in eenouder- en in nieuw samengestelde gezinnen, in situaties van gebrokenheid en vereenzaming, in het buurtleven, het verenigingsleven en het werk. Daar moet de kerkgemeenschap aanwezig zijn.

Voorkeursliefde
Als ik het goed begrijp, bestaat het merkwaardige van Jezus’ verkondiging erin dat Hij ze verbindt met het dienen en heilbrengend nabij zijn. We spreken zelfs over de voorkeursliefde van Jezus voor kleinen en mensen in nood. Die voorkeursliefde gaat zelfs zo ver dat God zich met hen op een bijzondere wijze verbindt, zoals ondubbelzinnig blijkt uit Jezus’ verhaal over de eindtijdelijke vestiging van Gods Rijk in Mattheus 25. God kiest niet alleen de zijde van naakten, hongerigen, dorstigen, zieken, armen en gevangenen, maar Hij identificeert zich met hen. Dat is niet zomaar te begrijpen als een metafoor of een vrome beeldspraak: de vereenzelviging, ja identificatie, is letterlijk waar. De noodlijdende medemens verwijst niet louter naar God en zijn Rijk. God verbindt zich rechtstreeks met de lijdende ander, sterker nog, de noodlijdende ander is, volgens Jezus’ verkondiging, de aanwezigheid van God zelf. In die zin kunnen we zelfs stellen dat de vernederde ander de eerste eucharistie is, dat wil zeggen de eerste transsubstantiatie of ‘reële aanwezigheid’ die aan de liturgische en sacramentele eucharistie voorafgaat en die ook grondt. Mattheus 25 drukt op een ongeëvenaarde manier de kern van de zaligsprekingen uit, namelijk dat Gods heerschappij en grootheid erin bestaan zich in te laten, sterker nog zijn eigen lot te verbinden aan dat van armen, wenenden, vervolgden, ontredderden en kanslozen. Welnu, dat is wat de diaconie of caritas eveneens van ons allen vraagt.

Weegschaal
In het dorp voor de armen, Cité St.Pierre of Cité Secours, in Lourdes staat een kopie van de stal van Bartrès. Hij wordt gebruikt als kapel. Onmiddellijk valt het tabernakel op: het is gemaakt als een klassieke weegschaal: twee schalen links en rechts van een verticale drager. Op de ene schaal staat een klassiek tabernakel. De godslamp in de kapel brandt: Jezus is aanwezig in de gedaante van het geconsacreerde brood. Op de andere schaal staat een wereldbol, een vaas met tarwearen en een potje met rijst – de dagelijkse portie van de armen in het Zuiden. De wijzer staat in het midden, want de twee schalen staan in evenwicht. Aan de voet van de verticale drager ligt de Bijbel open bij Mattheus 25.

De betekenis is duidelijk: Jezus is niet alleen aanwezig in de geconsacreerde hostie. Hij identificeert zich met het gebroken brood en de vergoten wijn, maar eveneens met de mensen rondom ons. De vernederde ander is de eerste eucharistie. De weegschaal is pas in evenwicht als we de reële aanwezigheid van Jezus in beide identificaties vieren. Beide zijn essentieel voor het geloof. In zijn encycliek Deus caritas est, schrijft de paus Benedictus XVI: “Deze ‘mystiek’ van het sacrament is sociaal van aard... Eucharistie die zich niet vertaalt in concrete beoefening van de liefde is ten diepste onvolledig.” En: “De dienst van de liefde is voor de kerk geen soort steunverlening, die ze ook aan anderen zou kunnen overlaten, maar behoort tot haar wezen, is een onontbeerlijke uitdrukking van haar diepste wezen”.

Vijf schreeuwen
Om de onvoorwaardelijke en onbaatzuchtige liefde, de caritas of diaconie te beoefenen, hoef je niet gewijd te zijn, wel toegewijd. Zij is wel de toetssteen, het waarmerk van de liturgie. Met enige overdrijving durf ik te stellen: niet het getuigenis van een goed gevuld kerkgebouw zal het Rijk van God doen groeien, maar het getuigenis van de onvoorwaardelijke en onbaatzuchtige liefde van de christenen. Laten wij de oren openen voor de vijf schreeuwen van onze wereld: “Ik heb honger, ik heb kou, ik heb pijn, ik hen bang, ik ben alleen.”

***

K.U. Leuven dwaalt

Peter Vande Vyvere | De academische overheid van de K.U.Leuven trekt donderdag conclusies uit het identiteitsdebat dat het voorbije jaar aan de universiteit liep. Hoe gaat de universiteit voortaan met de katholieke inspiratie om? Op basis van uitgelekte documenten ziet het er niet goed uit. Uit een synthese van de debatten die de universiteit daarover het voorbije jaar hield, bleek nochtans dat een meerderheid van de betrokkenen geen afstand wil doen van de open katholieke identiteit die de universiteit al eeuwen kenmerkt (zie Tertio nr. 589 en 607). Uitgelekte documenten laten evenwel zien dat de top van de academische overheid subtiel het afstand doen van de katholieke identiteit voorbereidt. De levensbeschouwelijke positie zou voortaan die zijn van een ‘centered pluralism’ (gecentreerd pluralisme) en dat centrum is het “christelijk personalistisch mensbeeld”, of nog: “christelijk humanisme”. Het personalisme is weliswaar een eerbare filosofische stroming, maar je kunt er toch moeilijk de identiteit van een universiteit van zes eeuwen toe reduceren.

Het label ‘katholiek’ daarentegen betekent ‘universeel’ en roept de verbondenheid op met een wereldomspannende geloofsgemeenschap van meer dan een miljard mensen. Mensen die zich door Jezus laten inspireren, hem als God belijden en waar de ambtelijke kerkleiding een noodzakelijk, maar beperkt en even menselijk onderdeel van vormt. Is de universiteit niet langer in staat die inspiratie ook vandaag als een luis in de pels te aanvaarden? En is ze niet langer bereid als een kritisch denkcentrum voor die kerkgemeenschap te functioneren? Dat zou een enorme verarming voor beiden betekenen. Alles wijst erop dat de nieuwe ideologen koste wat het kost elke associatie met het katholicisme willen weren. Ook de geplande ‘re-branding’ is daarop gericht. K.U.Leuven moet KU Leuven worden, niet langer een afkorting met een zin, maar een betekenisloze naam die in een volgende fase makkelijk kan sneuvelen. In het Engels zou de officiële naam ‘University of Leuven’ worden.

De geplande operatie bestaat erin op een handige manier het feitelijke interne pluralisme te installeren. Dat blijkt ook uit het voornemen het vak ‘religie, zingeving en levensbeschouwing’ dat iedere masterstudent in Leuven krijgt, te “verbreden”. Nu geven de docenten van de faculteit Theologie en Religiewetenschappen dat vak, maar het is niet zeker dat dit zo blijft. Over de vertegenwoordiging van de bisschoppen in een hertekende organieke structuur van de universiteit wordt donderdag wellicht niet beslist. Maar er bestaat een denkspoor om hen elke stemgerechtigde aanwezigheid in de Inrichtende Overheid – waar ze nu al geen meerderheid vormen – te ontnemen. Dat zou meteen betekenen dat de feitelijke band met de levende, universele kerkgemeenschap wordt doorgeknipt.

Om al die redenen schreven we maandag, samen met enkele leidinggevenden uit het middenveld, de politiek en de bedrijfswereld die aan de K.U.Leuven studeerden, een opiniestuk in de krant De Morgen. We roepen daarin de bestuurders van onze alma mater op hun plannen te herzien en een onbevangen, positieve visie op het katholicisme te honoreren. Diezelfde dag schreef hoogleraar theologie Lieven Boeve, de decaan van de faculteit Theologie en Religiewetenschap, in De Standaard een opiniestuk met dezelfde strekking. Moge het naderende Kerstfeest licht brengen, ook bij de academische overheid van de K.U.Leuven.

***

Christen met nieuw profiel

Peter Vande Vyvere | De katholieke kerk maakt in onze samenleving op een versnelde manier een transformatie mee. Zowel van binnenuit als van buitenaf staat haar oude gestalte onder druk. Waar komt het in deze overgangstijd op aan? De internetpetitie Gelovigen nemen het woord die oproept het voorgangerschap in de katholieke kerk te herzien, tikt aan. Verder in dit nummer zegt Antwerps bisschop Johan Bonny dat hij de verzuchtingen van de initiatiefnemers verstaat: de druk op voorgangers in de kerk is groot. Maar hij roept ook op niet lichtzinnig met het ambt om te gaan: “In het evangelie gaat het niet over aanpassing aan de haalbaarheid van het moment.”

De petitie zwengelt alvast de discussie aan over de reorganisatie van het parochielandschap: is het voor gemeenschappen en voorgangers nog allemaal haalbaar op deze schaal? Niemand ontkent nog dat de huidige parochiestructuren op een voorbije situatie zijn toegesneden: die van de (bijna) overlapping van kerk en samenleving. De kerkleiding stimuleert parochieoverschrijdende aanpak al langer. Maar je kunt sociologische evoluties niet forceren en psychologische weerstanden niet negeren. Vandaag wordt aan dezelfde mensen die in de jaren 1970 een wijkkerk hielpen opbouwen, gevraagd zich op een centrumkerk te oriënteren. Zoiets verloopt niet pijnloos. Dat verklaart de voorzichtigheid van de bisschoppen bij het uittekenen van nieuwe plannen.

Nu komt er een duwtje van buitenaf. Vlaams minister van Binnenlands Bestuur Geert Bourgeois (N-VA) vraagt, weliswaar in hoffelijke samenspraak met de betrokkenen, dat de centrale kerkbesturen tegen 2013 een toekomstplan opmaken voor de 1.792 Vlaamse parochiekerken. Dat moet uittekenen welke kerken worden behouden voor de eredienst, welke moeten worden nevenbestemd, herbestemd of gesloopt. Dat alles met het oog op financiële afspraken met de gemeenten voor de periode 2013-2019. Ook in het onderwijs staat de kerk voor grote uitdagingen. En ook daar is de ‘schaalkwestie’ aan de orde: hoe kun je vanuit een kleiner wordende groep gelovigen katholiek onderwijs aanbieden aan een meerderheid van de leerlingen? De spanning tussen identiteit en pluraliteit groeit. Dat sommigen bloed ruiken en de kans schoon zien om in de levensbeschouwelijke vakken in te breken, verbaast niet.

Sociaal psycholoog Norbert Vanbeselaere (K.U.Leuven) onderzocht in een ietwat andere context – de verwerking van de pedofiliecrisis – hoe een ‘bedreigde’ geloofsgemeenschap zich het best profileert in crisissituaties (zie blz. 7-9). Zijn advies komt hierop neer: wees ongecompliceerd jezelf en probeer je overtuiging met de samenleving te communiceren op een wijze dat ze die begrijpt. Voor de geloofsgemeenschap schuilt hierin een dubbele opdracht: werk maken van verdieping en vorming. Christen zul je vandaag alleen worden en blijven als je leeft vanuit een persoonlijke band met Christus. Dat kan weliswaar in vele toonaarden en met uiteenlopende intensiteit, maar het is wezenlijk. Bovendien is ‘weten wat je gelooft’ almaar meer een must in een samenleving die gelovigen ter verantwoording roept. Dat is wat deze tijd van een christen vraagt: dat hij diepgang kent, weet waarvoor hij staat en van daaruit onbevangen en zonder opdringerigheid de ander tegemoet treedt. Een veeleisende, maar boeiende uitdaging.

***

Emmanuel Van Lierde, Tertio

De kerk gedoogt veel van wat het manifest Gelovigen nemen het woord voorstelt. Die spagaat tussen regel en praktijk is ongezond. Ofwel gaat de theorie overboord, ofwel haalt de situatie op het terrein bakzeil. Het is een kwestie van geloofwaardigheid.

|Aan het einde van het manifest dat pleit voor een kerkhervorming en de toelating tot het priesterambt van gehuwde mannen en vrouwen, staat de opmerkelijke zin: “Gelukkig zijn er al plaatsen waar men wél zo bezig is.” Dat klopt, want in welke parochie wordt aan hertrouwde echtgescheidenen de communie geweigerd? En zijn er niet al bekwame leken en godsdienstleerkrachten die preken? En leken mogen toch voorgaan in woorddiensten? Rome mag dan wel stellen dat hertrouwde echtgescheidenen geen communie mogen ontvangen en dat leken niet horen te preken, naast de strikte regels is er ook zoiets als pastorale barmhartigheid, het geweten of nood breekt wet. “Gelukkig zijn er al plaatsen waar men wél zo bezig is.” Uit de reacties in de kranten en uit het lijstje ondertekenaars die tot de basisbewegingen behoren, blijkt dat dit niet alleen slaat op het uitreiken van communie aan hertrouwde echtgescheidenen of op leken die preken. Het gaat ook over niet-gewijden die voorgaan in de eucharistie. Ook zulke plaatsen bestaan en dat is geweten. Dat blijkt onder meer uit wat dominicaan Ignace D’hert onlangs zei in De Morgen. In de Gentse Dominicusgemeenschap – maar evengoed in tal van gelijkaardige alternatieve gemeenschappen – gaan al dertig jaar leken voor en dat wordt volgens de dominicaan gedoogd en dus impliciet goedgekeurd. Tast dat gedogen de geloofwaardigheid van de kerk niet aan? Als ‘goede katholiek’ is dat gedogen van praktijken die niet stroken met de Romeinse regeltjes mij niet vreemd, maar is – ook en vooral na de pedofilieschandalen – de tijd niet rijp om te breken met alle hypocrisie?

Oprechter en evangelischer
Het doorbreken van dat ambigue gedoogbeleid kan op twee manieren: de bestaande regels afdwingen of het nieuwe institutionaliseren. De kerkleiding kan de roep van gelovigen horen en haar regels aanpassen. Wat oogluikend in het verborgene gebeurt, zou dan het daglicht mogen zien. Het is trouwens de verdienste van het manifest – net als de gelijkaardige initiatieven in Oostenrijk en Ierland – dat het de roep vanuit de basis klaar en duidelijk laat horen. Als de kerk haar regels niet aanpast, vereist haar geloofwaardigheid dat ze ingaat tegen wie de regels niet volgt. De schizofrene houding, de Romeinse regels te verdedigen en alle afwijkingen daarvan stilzwijgend toe te staan, is op langere termijn onhoudbaar en dat wordt steeds duidelijker. Sommigen dringen al een halve eeuw aan op veranderingen in een van die twee richtingen. Toch is het niet ondenkbaar dat er ook nu van hogerhand uit niets wordt veranderd. Voor vernieuwers rijst dan de vraag hoelang ze kunnen doorgaan binnen een instituut dat doof blijft voor hun betrachtingen. Wie voetbal speelt, moet de voetbalregels volgen. Doe je dat niet, spreek dan niet langer over voetbal, maar richt een nieuwe sportdiscipline op. Waarom stappen die alternatieve geloofsgemeenschappen niet in groep over naar bijvoorbeeld de protestantse kerk waar ‘hun regels’ al lang gelden? Een spreidstand kun je even aanhouden en het kan een constructief proces naar verandering op gang brengen, maar vroeg of laat moeten de betrokkenen een stap in de ene of de andere richting doen. De kerk en haar gelovigen moeten niet hardvochtiger worden, wel oprechter en evangelischer. Omwille van de geloofwaardigheid die nu op het spel staat.

***

Hoogleraar Marcel Gielis (Tilburg)
en cantor Frans Van Looveren (Antwerpen)

Het manifest Gelovigen nemen het woord biedt weinig perspectief op een oplossing van de crisis die de kerk doormaakt, integendeel. Het lijkt wel ‘progressief’, maar bestendigt in werkelijkheid fundamenteel de bestaande problematische toestand van de liturgie in de kerk. Het heeft overigens een duidelijk déjà vu gehalte van enkele tientallen jaren oud. Meer nog, we krijgen de indruk dat de kerkcrisis wordt gebruikt om er een uiterst betwistbare visie op het ambt door te drukken: eigenlijk mag er volgens het manifest geen kerkelijke hiërarchie zijn. De oplossing daarentegen, die tegelijkertijd theologisch, pastoraal en cultureel verantwoord is, bestaat erin prioritair het aantal parochies fors terug te schroeven, door sluiting van kerken en allerlei fusies te komen tot meer levenskrachtige gemeenschappen met minder priesters.

Legitiem
Het verlangen van de gelovigen naar voorgangers voor de liturgie is legitiem. Wat zien we echter in werkelijkheid? Waar leken aan het roer staan van een parochie of een federatie van parochies, wordt het de beschikbare (gepensioneerde) priesters niet zelden verboden om voor te gaan, wat ingaat tegen elk redelijk verlangen van de gemeenschap naar een eucharistieviering. We kunnen hier spreken van een autoritair ‘lekenklerikalisme’. En het argument dat we ons op deze manier moeten voorbereiden op een kerk zonder priesters, is lachwekkend. Dan kan je, zoals de emeritus hulpbisschop Joseph Lescrauwaet van Haarlem ooit zei, evengoed aan de wat oudere gehuwden vertellen dat ze best apart gaan slapen om zich voor te bereiden op de tijd dat een van hen er niet meer zal zijn. Bovendien: over kwaliteit van de lekenliturgie is het ook zeer dikwijls huilen met de pet op. In de praktijk zijn lekenvoorgangers in de liturgie – helaas – veelal grotere leken in het vak dan de meeste priesters. De banalisering van liturgie en verkondiging is een van de factoren die de kerken reeds veel te veel hebben doen leeglopen. En van de weeromstuit is het niet mogelijk om goede liturgie te brengen in een lege kerk.

Nonsens
Het is maar de vraag of de oplossing erin bestaat het voorgangersambt in de eucharistie toe te vertrouwen aan leken. Niet alleen is dit theologische nonsens, die totaal indruist tegen de visie van Vaticanum II op het ambt. Elke selectieve lezing van de constitutie over de kerk moet worden vermeden: niet alleen het hoofdstuk over het Godsvolk, maar ook over de hiërarchische ordening van de kerk zijn belangrijk. Vanuit pastoraal oogpunt dringt zich wel een herstructurering van de parochies op. De leegloop van de kerken in het geseculariseerde Vlaanderen maakt het bestaande parochies dikwijls onmogelijk om, bij gebrek aan voldoende vitale creatieve krachten en voldoende aanwezigen, kwaliteitsvolle liturgie te vieren. Waar het nog enigszins mogelijk is, merken we veelal een structurele zwakte op: neem er enkele actieve en competente mensen weg, en het liturgische leven stort ook daar ineen.

Kwaliteit
Willen we kwaliteit leveren, dan moeten we streven naar centrumkerken met meer geëngageerde aanwezigen, die een veel ruimer gebied bedienen dan de huidige parochiekerken. Deze werkwijze zou trouwens niet nieuw zijn; in de loop van de geschiedenis is dat nog het geval geweest. Het is pas vanaf de 19de eeuw dat elke lokale woonkern meteen een parochie werd. Dat is niet langer houdbaar en vanuit liturgisch oogpunt ook niet langer wenselijk. En met minder kerken kunnen we niet alleen het probleem van beschikbare priesters, maar ook van beschikbare competente organisten, koren, zangleiders, enzovoort verzachten. Het recruteringsgebied voor al deze functies wordt groter en de kansen op kwaliteit stijgen. De verplaatsingen naar de verder afgelegen centrumkerk kan een probleem worden voor oudere en bejaarde mensen. Het ‘woon-kerkverkeer’ wordt dan een zaak van onderlinge dienstbaarheid, zoals Stijn Van den Bossche opmerkt in zijn degelijk recent artikel in Tertio nr. 615. Overigens is de dienstverlening van het openbaar vervoer bij De Lijn er de jongste jaren beduidend op vooruitgegaan – ook op het platteland – en daar kunnen de centrumkerken hun voordeel uit halen.

Schrappen
Is het probleem daarmee helemaal opgelost? We moeten ook aan de verdere toekomst denken. In alle geval is het verkeerd om het specifieke ambt zomaar te schrappen. De visie op het ambt mag niet gebaseerd zijn op eigen smaak en verlangen. Rome zal dat trouwens onder geen enkel beding ernstig nemen. De visie moet uitgaan van het gegeven van Bijbel en traditie; dat is de enige uitweg. Van Rome mag in dit kader wel worden verwacht dat het de vraag naar een priesterschap voor gehuwde mannen (de ‘viri probati’) naast een celibatair priesterschap ernstig neemt. Bovendien moet er ruimte komen voor vrouwelijke diakens, maar dan niet als opstapje naar een vrouwelijk priesterschap; dat laatste is, gezien vanuit Bijbel en traditie, niet mogelijk. En een correcte visie op het ambt heeft niets te maken met gelijke kansen. In dit opzicht is deze thematiek gewoon irrelevant.

Dillettantisme
Laat ons beginnen met een herstructurering van de parochies. De lege kerken zijn nog een acuter probleem dan het priestertekort. En laat ons prioritair ook maar inzetten op een veel sterkere theologische, liturgische en kerkmuzikale vorming voor iedereen die een verantwoordelijke rol op zich neemt in de liturgie. Het theologische en liturgische dilettantisme is dodelijk voor de kwaliteit van wat er in de kerken gebeurt. Ook als de actoren duidelijk blijk geven van goede bedoelingen.

***

Theoloog Christophe Brabant meent dat Stijn Van den Bossche in zijn reflectie over het manifest terecht oog heeft voor de sacramentaliteit van ambt en kerk. Hij denkt evenwel dat daarover een andere visie mogelijk is en illustreert die aan de hand van een parabel.

Een vader had twee zonen. Om hem te blijven gedenken, vroeg hij aan zijn kinderen dat ze bij elke maaltijd eens aan hem zouden denken. De twee kinderen groeiden uit elkaar, maar deden elk op hun manier wat de vader gevraagd had. Generatie na generatie bleef de ene tak van de familie nu eens bij een picknick, dan bij een familiefeest enzovoort, een moment aan de overleden voorvader denken. De nakomelingen van het andere kind hadden zoveel eerbied voor de vader dat zij een steeds toenemend protocol voorschreven bij de maaltijd om hem te gedenken. Na vele generaties voelde niemand zich meer geroepen om dat hele protocol te respecteren en bleef er van het gebruik niets over.

Wie heeft de wil van de voorvader gerealiseerd? Een goed verstaander begrijpt dat de catechismus het evangelie niet in de weg mag staan. Wat onbegrijpelijk is aan het halsstarrig vasthouden aan het celibaat voor de priester, is de keuze om een disciplinaire maatregel te plaatsen boven het sacramentele waar de kerk eigenlijk van leeft. Het sacrament is een teken door mensen gesteld, waarin God aanwezig komt. Het is niet de mens die het sacrament tot sacrament maakt, maar God die zijn belofte van aanwezigheid waarmaakt. Het oersacrament waar de andere uit afgeleid zijn, is Jezus Christus zelf. Zelfs het gezamenlijke gebed van twee mensen kan sacrament zijn, want “waar twee of drie mensen in mijn naam samen zijn, ben ik in hun midden.”

Uit de openbaring in Jezus Christus heeft de kerk in de loop van de geschiedenis sacramenten afgeleid. Openbaring is een dynamisch gebeuren. God spreekt ook vandaag en in onze cultuur; misschien anders dan in Afrika of in Azië. Jezus heeft ons opgeroepen tot navolging, om te doen wat Hij heeft gedaan en waarvan het evangelie getuigt. Daarom moet elke gemeenschap en elke tijd opnieuw de relatie aangaan met de Levende om te ontdekken welke woorden en daden recht doen aan de trouw aan het evangelie waarin God aanwezig kan komen. Stijn Van den Bossche kiest ervoor om vast te houden aan een vorm uit het verleden, daar waar ik opteer om het ‘doet dit tot Mijn gedachtenis’ centraal te stellen in trouw aan het evangelie, vanuit het geworteld zijn in deze tijd en cultuur, en met respect voor – maar geen slaafse navolging van – de universele katholieke kerk.

Het probleem is dat de universele kerkgemeenschap een spreidstand aan het uitvoeren is. Op veel plaatsen in West-Europa zijn katholieken klaar om gehuwde mannen, ja ook vrouwen, in het ambt te aanvaarden. Niet de hele kerk is daarvoor klaar. Maar de universaliteit die wordt opgevat als uniformiteit is vandaag in West-Europa vaak een hinder. Hier dreigt een scheuring van onderuit omdat lokale kerkgemeenschappen zich niet langer zullen herkennen in de rooms-katholieke kerk. Een kerk die teveel nadruk legt op de uniformiteit doet de particuliere lokale gemeenschap onrecht aan. Nochtans heeft de incarnatie duidelijk gemaakt dat particulariteit wel degelijk belangrijk is.

De vraag rijst hoe flexibel de kerkgemeenschap is om die oplopende spanning te kunnen blijven weerstaan? De uitdaging bestaat erin de ontwikkeling van de lokale kerken ruimte te geven zonder de universaliteit te verliezen. Er is eenheid mogelijk in verscheidenheid.

***

Geert Vervaecke, Roeselare

Er is veel in de argumentatie van Stijn Van den Bossche dat ik kan volgen. Maar niet de schijnbaar vanzelfsprekende gelijkstelling tussen veel volk in de kerk en goede liturgie. Veel hangt er natuurlijk van af wat je onder goede liturgie verstaat. Eind van de jaren zeventig leerden priesters – verstandige, theologisch goed geschoolde mensen – mij dat de leden van een liturgische gemeenschap elkaar moeten kennen, ten minste bij naam en met hun adresgegevens, zodat ze verantwoordelijk worden. Dat wil zeggen: aanspreekbaar om elkaar te helpen waar nodig, om samen actie te ondernemen, enzovoort. Anders dreigt de liturgie te zweven, zeiden ze, het risico is er altijd dat ze verwordt tot holle frasen.

Vakantie breng ik graag in Frankrijk door en al vele jaren overkomt me hetzelfde. Ga ik op zondag in een dorpskerk naar de mis, dan zijn daar enkele tientallen mensen en ik word er steevast aangesproken, verwelkomd, uitgenodigd voor een babbel. Kom ik in een centrale kerk, dan is er veel volk en een zeer verzorgde liturgie, maar nog nooit heeft iemand contact met me gemaakt. Hooguit een glimlach naar die vreemde eend of een handdruk bij de vredeswens – al lijkt die hier en daar weer afgeschaft.

Ik denk dat niemand met zekerheid weet welk beleid de doorgave van Jezus’ verhaal en de kerk kan verzekeren. Misschien doen we er daarom goed aan altijd uit te gaan van die ene, grote vraag: hoe kunnen we, hier en nu, zo goed mogelijk het leven dienen?